Leo Verhoef
Boekhoudfraude gemeenten en provincies
Dossiers
Home

Wie is Leo Verhoef

Uw gemeente en provincie

Dossiers


Persberichten

In de media

Publicaties

Verwijzingen


CURSUS


Contact
NIVRA (Koninklijk Nederlands Instituut van Registeraccountants)

Het knoeiwerk van het accountantsberoep
in gemeente- en provincieland is ongelofelijk
Ik schaam me er diep voor

Het dossier met correspondentie met het bestuur van het Koninklijk NIVRA is enkele cm's dik.

Mijn eerste contact was n.a.v. het concept van mijn artikel "Vaste activa in de gemeenterekening" (de Accountant, maart 1998) dat ik gebruikte om in de Accountant de misstand van de goedkeurende accountantsverklaringen bij veel misleidende gemeentelijke jaarrekeningen aan de orde te stellen.
Mijn eerste brief aan het bestuur van het NIVRA is van 18 juli 1997, waarin ik het bestuur attendeerde op de misstand en aandrong op overleg. Na herinneringen van 2 september 1997 en 6 oktober 1997 kwam een eerste reactie van het NIVRA met brief van 9 oktober 1997 van directeur W.P. Moleveld; een nietszeggende brief die faliekant langs het echte onderwerp heenging, alleen melding maakte van het feit dat het Koninklijk NIVRA heel geweldig z'n best deed op velerlei terreinen, en eindigde met de conclusie dat het bestuur niet de behoefte voelde in te gaan op de door mij aangevoerde punten van kritiek.
Na mijn uitvoerige reactie daarop naar het bestuur kwam alweer een nietszeggende reactie van 12 november 1997.
Op mijn brieven nadien kwam een uitnoding om te praten met de commissie Overheidsaccountancy. Dat gesprek is geweest op 28 januari 1998. Een babylonische spraakverwarring met mensen die alleen maar naar zichzelf luisterden en verder nauwelijks het verschil wisten tussen debet en credit. Behalve voorzitter P.J. Ierschot, die mij na afloop onder vier ogen excuses aanbood en mij aanspoorde vooral door te gaan met mijn acties omdat ik helemaal gelijk had. Verder kon Van Ierschot niets voor mij doen, zei hij mij (wat een flinkerd!!).
Ik heb mijn beklag gedaan bij het bestuur van het NIVRA over dit gesprek. Dat wilde niet inhoudelijk reageren, zei het mij in zijn brief van 12 maart 1998. Op mijn brief daarop werd met een kort briefje van 29 april 1998 gereageerd met de mededeling dat het bestuur geen enkele aanleiding zag op eerder genomen besluiten terug te komen. Mijn brieven daarna werden eindelijk beantwoord met brief van 27 november 1998 met de mededeling dat het bestuur niet wenste in te gaan op de door mij geschetste problematiek.
Inmiddels verscheen in de Volkskrant van  25 oktober 1999 mijn verhaal over de misleidende jaarrekeningen van menige gemeente en provincie en de goedkeurende accountantsverklaringen daarbij. Ik vroeg met brieven van 14 december 1999 en 21 januari 2000 aan het bestuur van het NIVRA of dit geen aanleiding was met mij over de misstand te overleggen. Mijn brieven werden beantwoord met de mededeling dat ik de beroepsgroep der registeraccountants in een onjuist daglicht stelde en dat het bestuur dat ontoelaatbaar achtte, en het dreigement dat het bestuur ervan uitging dat ik met mijn acties zou stoppen.
Mijn brief daarna werd beantwoord met een uitnodiging voor een gesprek. Op uitdrukkelijk verzoek van het bestuur heb ik de punten waarover het n.m.m. zou moeten gaan, nauwkeurig geformuleerd en met brief van 18 april 2000 aan het bestuur toegestuurd. Daarop reageerde het bestuur met brief van 23 juni 2000 dat men het over deze punten beslist NIET wilde hebben. Ik probeerde het nog met brief van 3 juli 2000, maar het mocht niet baten. Het gesprek heeft uiteindelijk plaatsgevonden op 16 augustus 2000. Een gesprek dat overal bij langs ging, want men wilde het uitdrukkelijk niet over mijn punten hebben. Een waardeloos gesprek dus met zes duur betaalde mensen. Elke poging van mij het gesprek over het echte onderwerp te laten gaan, werd hardhandig ontkracht. Zelfs het gespreksverslag werd een verdraaide weergave van het besprokene. Mijn pogingen om het gespreksverslag een weergave te laten zijn van het gesprek, werden botweg afgewezen.
Mijn ettelijke brieven daarna werden of niet beantwoord of beantwoord met een nietszeggend regeltje. Uiteindelijk volgde een brief van 16 maart 2001 waarin het bestuur aankondigde zich te zullen beraden op stappen tegen mij.
Uiteindelijk werd ik met brief van 6 april 2001 weer uitgenodigd, nu n.a.v. een klacht van het gemeentebestuur van Zaanstad over mijn aantijgingen over de misleidende Zaanstadse jaarrekeningen van de afgelopen jaren met dreigementen van het NIVRA-bestuur dat ik me niets aantrok van de aanwijzingen van het bestuur om mijn activiteiten te staken.  Met brief van 5 juni 2001 vertelde het bestuur van het Koninklijk NIVRA mij het met mij niet te willen hebben over "de boodschap" maar uitsluitend over het monddood maken van "de boodschapper". Het gesprek heeft plaatsgevonden op 12 juli 2001. In dit gesprek kwam alleen aan de orde dat het bestuur een klachtzaak tegen mij ging voorbereiden. Dit gesprek bestond uit bijna alleen maar ordinaire scheldpartijen over waar ik wel mee bezig was en wie ik wel dacht dat ik was enzo. Die tuchtzaak is er nooit gekomen.
Op mijn brieven over deze ordinaire vertoning heeft het bestuur uiteindelijk gereageerd met brief van 28 november 2001 met daarin de bedreiging dat het bestuur er weer van uitging dat ik mijn activiteiten zou beŽindigen.
Mijn herhaalde (6) brieven daarna hebben nooit een reactie opgeleverd. In mijn brief van 31 oktober 2002 gaf ik nog eens een complete uiteenzetting van de problematiek, en drong ik nogmaals aan op overleg. Met brief van 14 november 2002 liet het bestuur mij wederom weten het niet zinvol te vinden om met mij van gedachten te wisselen.
Mijn brief daarna van 21 november 2002 heeft tot op heden geen enkele reactie opgeleverd.
Ik ben daarna gestopt met brieven te sturen aan het bestuur van het NIVRA.

Pikant detail: Tussendoor heb ik (op 24 september 2002) een gesprek gehad met de directeur van het NIVRA, Gert Smit. Die mij vertelde dat ik natuurlijk 100% gelijk had, maar dat hij dat niet hardop wilde zeggen, want dan zou hij meteen zijn baan als directeur van het NIVRA kwijt zijn.

Sindsdien heb ik niets meer vernomen van het bestuur van het NIVRA. Tot opeens in Accountantsonline.nl dd. 10 maart 2006 een reactie van het NIVRA verscheen. Een reactie van een bedroevend gehalte, maar waarin temidden van veel koeterwaals, mist en rookgordijnen van onjuistheden en halve waarheden toch opdook: "... wat betreft Verhoef: zijn kritiek was terecht ...".  Bij deze reactie maakte ik een commentaar.

In april 2006 reageerde het bestuur van het NIVRA eindelijk in de Accountant (april 2006) op mijn kritiek. Het bestuur deed dat zonder enig vooroverleg met mij en zonder commentaar van mij daarbij.  De reactie van het bestuur van het NIVRA verscheen in een allerbedroevendst slecht artikel. Ik gaf mijn commentaar met brief aan het bestuur dd. 21 april 2006 met mijn concept van een artikel ter plaatsing in de eerstvolgende de Accountant. Dit werd (in verkorte vorm) geplaatst in de Accountant van juli/augustus 2006. Het NIVRA kon het alweer niet nalaten met een allerbedroevendst naschrift in uiterst wollige taal en met veel rookgordijnen afbreuk te doen aan de inhoud ervan. Dus voorzag ik dit naschrift van een verduidelijkend commentaar met aan het eind een oproep aan het bestuur van het NIVRA onder ogen te zien wat er onder zijn verantwoordelijkheid onder de noemer van "Overheidsaccountancy" aan verschrikkelijk broddelwerk wordt geleverd. (Zie ook onder "Publicaties")

Dit is dus het Koninklijk NIVRA, de organisatie van "vertrouwensmannen van het maatschappelijk verkeer".

Inhoud dossier:
Brief aan bestuur NIVRA dd. 21 april 2006
Brief aan bestuur NIVRA dd. 31 oktober 2002
- Brief van bestuur NIVRA dd. 5 juni 2001
- Brief van bestuur NIVRA dd. 6 april 2001
- Brief aan bestuur NIVRA dd. 3 juli 2000
- Brief van bestuur NIVRA dd. 23 juni 2000
- Brief aan bestuur NIVRA dd. 18 april 2000
Terug > begin