Dossier: NIVRA
drs. L.W. Verhoef
registeraccountant
Kersengaard 13
3962 JR Wijk bij Duurstede

Wijk bij Duurstede, 3 juli 2000

Bestuur van het NIVRA
Postbus 7984
1008 AD Amsterdam

Betreft: Jaarrekeningen gemeenten en provincies
            Uw brief van 23 juni 2000

Geacht bestuur,

Ik heb kennis genomen van uw brief van 23 juni jl. waarin u ingaat op de door mij opgeroepen kwestie van de (naar mijn mening) op grote schaal ten onrechte verstrekte goedkeurende accountantsverklaringen bij jaarrekeningen van gemeenten en provincies en waarin u onze afspraak bevestigt om daarover te praten op 16 augustus a.s.

U vraagt zich af of de door mij in mijn brief van 18 april jl. opgestelde lijst van vragen (u spreekt ook van "een groot aantal gespreksonderwerpen") tot een efficiënte discussie en zinvolle conclusie zal kunnen leiden. U stelt dat de aard van de door mij opgevoerde vragen veelal suggereert dat beantwoording door een simpel ja/nee zou kunnen volstaan en dat dit geen recht doet aan de complexiteit van de materie.

Allereerst is de materie verre van complex. De kwestie waar het mij om gaat (en dààr zouden wij over praten, niet over wat anders!) kan worden weergegeven in de vragen zoals ik die geformuleerd heb. Ik heb er wel een aantal jaren over moeten doen om de kwestie, die bij eerste kennismaking wellicht complex (beter is misschien te zeggen: "ongelofelijk") voorkomt, te analyseren. De analyse vindt u in de vragen. De analyse laat zien dat het gaat om basale kwesties. Ik denk stellig dat bespreking van mijn zaak aan de hand van de door mij geformuleerde vragen kan leiden tot een efficiënte discussie en tot zinvolle, zelfs duidelijke, conclusies. Wellicht niet de conclusies die u zou moeten trekken maar niet wìlt trekken. Ook dat is onderdeel van het probleem! De vragen kunnen inderdaad worden afgedaan met een simpel ja/nee.

Naar uw mening kunnen de door mij gesignaleerde problemen worden samengevat in de twee kernproblemen zoals u die geformuleerd heeft. U heeft daarin ongelijk.
Het gaat mij niet om "de kwaliteit en de consistentie van de Comptabiliteitsvoorschriften, de uitwerking daarvan in de Toelichting en de door het Ministerie van Binnenlandse Zaken opgestelde nadere uitwerking in de vorm van vragen en antwoorden". Hoewel deze kwaliteit zeker geen schoonheidsprijs verdient, gaat het mij niet dààrom.
Het praten over of "een op basis van deze voorschriften .... opgestelde jaarrekening .... voldoet aan de .... voorschriften" lijkt mij weinig zinvol.
Waar het mij om gaat, heeft grotendeels zelfs niets uitstaande met de zogenoemde Comptabiliteitsvoorschriften.

Ik stel voor dat wij ons gesprek toch voeren aan de hand van de door mij opgestelde vragen, waarbij wij, waar daartoe aanleiding ontstaat, een uitstapje maken naar "de kwaliteit en de consistentie van de Comptabiliteitsvoorschriften etc" en naar de vraag of een jaarrekening opgemaakt op basis van deze voorschriften een betrouwbaar beeld geeft van de financiële positie van de betreffende entiteit.

Hoogachtend,

L.W. Verhoef