Dossier: Tuchtzaken
drs. L.W. Verhoef
registeraccountant
Kersengaard 13
3962 JR Wijk bij Duurstede

Wijk bij Duurstede,
19 april 2005

President van het
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Postbus 20021
2500 EA 's-Gravenhage

Betreft: Klacht inzake handelwijze leden College
            Procedures: AWB03/264; AWB03/265; AWB03/267; AWB03/1176


Geachte heer President,

Hierdoor beklaag ik mij bij u over gedragingen van leden van uw College. Deze gedragingen bestempel ik als openlijke sabotage van een goede en eerlijke rechtsgang. Het betreft de handelwijze in beroepszaken over door mij tegen registeraccountants ingediende klachten.
Deze sabotage door leden van uw College bestaat uit:
  1. het niet in behandeling nemen van de door mij voorgelegde klachten;
  2. het vervangen van mijn voorgelegde klachten door klachten, niet zijnde mijn klachten;
  3. het niet doen van uitspraken over de door mij voorgelegde klachten;
  4. het doen van uitspraken over niet door mij voorgelegde klachten in plaats van over door mij voorgelegde klachten daarbij suggererend dat het uitspraken zijn over door mij voorgelegde klachten;
  5. het ronduit liegen over door mij voorgelegde klachten;
  6. het liegen over en verdraaien van wat ik in mijn beroepschriften en in voorafgaande klaagschriften meer dan overduidelijk en wel degelijk had aangegeven;
  7. het opnemen van pertinente onwaarheden in Uitspraken, wat dus valsheid in geschrifte is.
Het betreft de volgende leden van uw College:
mr. M.J. Kuiper, mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. R.J.G.M. Widdershoven.

Ik verzoek u mijn klachten serieus te nemen en in behandeling te nemen.

Ik verzoek u dringend door u over deze meer dan schandalige zaak gehoord te worden.

Ik leg deze klachten eveneens voor aan de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad.

Ik overweeg een strafrechtelijke aangifte bij Justitie tegen de betreffende leden van uw College. Ik wacht eerst uw reactie af.

Toelichting.
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven is aangewezen als beroepsinstantie in tuchtrechtprocedures tegen registeraccountants. De voorgaande instantie is de Raad van Tucht voor Accountants.
Met klaagschriften d.d. 6 februari 2002, 26 februari 2002, 25 februari 2002, en 5 april 2002 legde ik aan de Raad van Tucht voor Accountants klaagschriften voor tegen de accountant(s) van respectievelijk gemeente Tiel, gemeente Utrecht, gemeente 's-Hertogenbosch, en gemeente Den Haag. In deze zaken deed de Raad van Tucht voor Accountants (te Amsterdam) uitspraak op respectievelijk 11 februari 2003 (eerste drie zaken) en 30 juli 2003 (vierde zaak). Van de uitspraken van de Raad van Tucht ging ik in beroep bij uw College met beroepschriften d.d. 26 februari 2003 (eerste drie zaken) en 15 september 2003 (vierde zaak). Uw College deed in deze vier zaken uitspraak op 7 april 2005.


Het betrof inhoudelijk gelijkluidende klaagschriften (behoudens extra klachten tegen de accountant van gemeente 's-Hertogenbosch, hier verder onbesproken latend), uitspraken van de Raad van Tucht, beroepschriften en uitspraken van uw College.

De klachten tegen de betreffende accountants treft u steeds aan op pagina 2 van de Uitspraken van 7 april 2005. Ik citeer uit deze Uitspraken:
"Registeraccountant ... heeft bij de jaarrekening ... van gemeente ... ten onrechte een goedkeurende verklaring gegeven, immers
  1. in de rekening van baten en lasten ontbreken baten en lasten, die rechtstreeks zijn toegevoegd of onttrokken aan het eigen vermogen, terwijl de Comptabiliteitsvoorschriften expliciet en uitdrukkelijk voorschrijven dat alle baten en lasten in de rekening opgenomen moeten worden;
  2. in de rekening van baten en lasten wordt het saldo van alle baten en lasten niet genoemd, terwijl de Comptabiliteitsvoorschriften dit expliciet en dus uitdrukkelijk voorschrijven;
  3. het buiten de rekening van baten en lasten laten van baten en lasten is in strijd met normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd, en dus in strijd met de Comptabiliteitsvoorschriften die voorschrijven dat een jaarrekening aan deze normen moet voldoen."
Het gaat hier steeds om, wat populair gesproken wordt aangeduid met, boekhoudfraude, dat wil zeggen: het geven van een misleidende voorstelling van zaken in een jaarrekening, in het strafrecht aangeduid met: valsheid in geschrifte. Het gaat bovendien om boekhoudfraude in jaarrekeningen van overheidsorganisaties, namelijk gemeenten. In mijn inleidingen van mijn klaagschriften gaf ik steeds uitvoerig en niet mis te verstaan aan om welke feiten en bedragen het ging.

De Raad van Tucht, oordelend in eerste instantie,
oordeelde ter zake van klachtonderdeel 1 (op onjuiste gronden) dat de Comptabiliteitsvoorschriften nìet expliciet zouden voorschrijven dat alle baten en lasten ìn de rekening van baten en lasten moeten staan;
liet steeds klachtonderdeel 2 geheel en al onbehandeld;
oordeelde ter zake van klachtonderdeel 3 dat het buiten zicht laten van sommige baten en lasten, afgaande op mijn meerdere klachten, blijkbaar niet ongebruikelijk is in "gemeenteland", en dat "derhalve" de accountants die daar desondanks goedkeurende accountantsverklaringen bij gaven, niets te verwijten viel. Een verbijsterende uitspraak.

In mijn beroepschriften gaf ik expliciet, nauwkeurig, meer dan uitstekend gemotiveerd, en omstandig aan:
Mijn beroepschriften (inclusief Nadere Memories) laten aan duidelijkheid niets te wensen over.

In de Uitspraken van 7 april 2005 stellen de betreffende leden van uw College dat ik in de fase van beroep mijn klachten (tegen de betreffende accountants) zou hebben uitgebreid, en wel met de klacht dat het saldo van de betreffende rekening(en) van baten en lasten niet het saldo is van alle baten en lasten en dat dus bedragen ontbreken in de rekening van baten en lasten. Dit is pertinent gelogen. Mijn stelling is vanaf het allereerste begin steeds geweest dat er (zelfs zeer omvangrijke) bedragen ontbreken in de rekening van baten en lasten. Mijn klacht betrof steeds vanaf het allereerste begin dat de betreffende accountant(s) bij een jaarrekening met een rekening van baten en lasten waarin (omvangrijke) bedragen ontbreken, geen goedkeurende accountantsverklaring had(den) mogen geven.

(Uiterst merkwaardig is wat de leden van uw College in de Uitspraak zeggen: "Voor zover appellant afzonderlijk over genoemde rekening van baten en lasten heeft willen klagen overweegt het College ...". Het betreft hier een tuchtrechtprocedure en dat betekent dat je dus niet kunt klagen over een "rekening van baten en lasten" maar uitsluitend over handelingen van accountants! De rechters hebben zich dat blijkbaar niet gerealiseerd.)
Ik wijs er thans weer op, zoals ik ook al deed tijdens de mondelinge behandeling in de zitting van 24 februari 2005, dat nooit door de betreffende accountants is ontkend dat er bedragen ontbreken in de betreffende winst-en-verliesrekeningen. Integendeel, ze hebben het zelfs bevestigd! Ik wijs er op dat ook de Raad van Tucht steeds (impliciet) bevestigd heeft dat er baten en lasten buiten de rekening waren gelaten! Ik heb dus niets nieuws aangevoerd!
Kortom, wat de betreffende leden van uw College allereerst opmerken onder 4.1 van hun Uitspraken, is pertinent gelogen.

Vervolgens zeggen de leden van uw College, eveneens onder 4.1 van hun Uitspraken, dat ik in mijn beroepschrift niet uiteengezet zou hebben welke klachtonderdelen uit mijn klaagschrift niet door de Raad van Tucht zouden zijn behandeld. Alweer is dit pertinent gelogen. Glashelder en expliciet heb ik steeds in mijn beroepschriften aangegeven op welke klachtonderdelen de Raad van Tucht niet is ingegaan. Daarbij heb ik steeds glashelder en expliciet verzocht thans wèl deze klachtonderdelen te behandelen die de Raad van Tucht steeds onder het tapijt gemoffeld had.

Vervolgens zeggen de leden van uw College, eveneens onder 4.1 van hun Uitspraken, dat ik in mijn beroepschrift (en aanvullend beroepschrift) geen middelen zou hebben voorgedragen tegen "de weergave van de klachtonderdelen door de raad van tucht voorgedragen". Wat de betreffende leden van uw College met deze cryptische zin aanduiden, is raadselachtig. Wèl is het zo dat ik expliciet, nauwkeurig, meer dan uitstekend gemotiveerd, en omstandig op alles wat de Raad van Tucht beweerde, ben ingegaan, en exact heb aangegeven welke klachtonderdelen niet door de Raad van Tucht zijn behandeld en hoe de motiveringen van de Raad van Tucht in het afwijzen van de wèl behandelde klachtonderdelen, volledig falen!
Kortom, ook wat dit betreft, is wat de leden van uw College beweren, pertinent gelogen.

Onder 4.2 spreken de leden van uw College uit dat al eerder door het College van Beroep een accountant is vrijgesproken van klachten die ook in de onderhavige procedures aan de orde waren. Ook dit is alweer pertinent gelogen. In de procedure waarop de leden van uw College doelen, waren al mijn klachten achtereenvolgens door Raad van Tucht en daarna door het College van Beroep vervangen door een geheel andere klacht, niet zijnde mìjn klachten, en is de betreffende accountant vrijgesproken van deze door de Raad van Tucht en door het College van Beroep zelf bedachte klacht, niet zijnde mijn klachten.
Ik had in mijn pleitnota tijdens de zitting op 24 februari 2005 de leden van uw College zeer nadrukkelijk hiervoor gewaarschuwd. Ik citeer uit mijn pleitnota:
"De thans aan de orde zijnde klachtzaken zijn er vier uit een serie van elf (nagenoeg) identieke door mij aanhangig gemaakte zaken. Vandaag zijn er vier aan de orde. De andere klachtzaken (AWB 03/263, 03/266, 03/1171, 03/1172, 03/1173, 03/1174 en 03/1175) zijn in beroep door het College tijdens een zitting op 22 april 2004 behandeld. Het College deed uitspraak op 14 juli 2004. Het College heeft in deze eerdere zaken beslist dat het beroep verworpen werd. Opvallend is dat het College de accountants niet vrijuit liet gaan omdat ik ongelijk zou hebben in mijn beweringen over buiten de winst-en-verliesrekeningen gelaten bedragen, of omdat ik ongelijk zou hebben in mijn beweringen dat die jaarrekeningen derhalve niet zouden voldoen aan de Comptabiliteitsvoorschriften. Nee, het College liet de accountants vrijuit gaan omdat in een aan deze reeks voorafgegane zaak (AWB99/458; LJN-AO8201) het College òòk de betrokken accountant vrijuit had laten gaan. Het College stelde in zijn uitspraken van 14 juli 2004 dat de door mij voorgelegde klachten (nagenoeg) identiek waren aan de klacht waarover het College uitspraak had gedaan in die eerste zaak (AWB99/458). In zijn uitspraken van 14 juli 2004 citeerde het College de klacht zoals ik die had voorgelegd in zaak 99/458, en het College constateerde dat de klachten (van de zitting van 22 april 2004) (nagenoeg) identiek waren aan de klacht in de zaak 99/458.
Echter, opvallend is het dat het College in zijn uitspraken van 14 juli 2004 weliswaar nauwgezet de klacht heeft overgeschreven zoals ik deze had geformuleerd in zaak 99/458, maar dat dat nìet de klacht is waarvan de betrokken accountant toentertijd is vrijgesproken. Beslist niet. De betrokken accountant was toentertijd vrijgesproken van iets geheel anders!
Het begon al bij de Raad van Tucht. Simpelweg gezegd komt het erop neer dat toentertijd de Raad van Tucht mijn klacht in al zijn onderdelen vervangen heeft door een geheel andere, door de Raad zelf bedachte klacht, niet zijnde mìjn klacht, en vervolgens de betrokken accountant heeft vrijgesproken van de nieuw geformuleerde klacht. Verbijsterend! Van mijn oorspronkelijk geformuleerde klacht is in de uitspraak van de Raad van Tucht (R168 d.d. 6.4.1999) niets meer terug te vinden. De Raad van Tucht had geheel eigenhandig mijn klacht vervangen door een nieuwe klacht, namelijk de klacht dat de betrokken accountant zich niet zou hebben mogen baseren op de Comptabiliteitsvoorschriften. Vervolgens heeft de Raad van Tucht uitgesproken dat het betrokkene niet verweten mocht worden dat hij zich gebaseerd had op de Comptabiliteitsvoorschriften.  Met welke uitspraak ik het uiteraard geheel eens ben; maar het was geen uitspraak op de door mìj voorgelegde klacht! De betrokken accountant is toentertijd dus niet vrijgesproken van de door mìj voorgelegde klacht, maar van een heel andere klacht, een klacht die door de Raad van Tucht in de plaats was gezet van mìjn klacht. Verbijsterend!

In beroep voor het College van Beroep heb ik het College toentertijd uitdrukkelijk op deze geweldige dwaling van de Raad van Tucht gewezen. Echter, het College deed er nog eens een geweldige schep bovenop. Met (alweer) volledig voorbijgaan aan mijn werkelijke klacht, waar òòk het College in het geheel niet op in gegaan is, heeft het College de betrokken accountant vrijuit laten gaan met als motivering: "... dat de regels inzake jaarrekening en jaarverslag, neergelegd in titel 9 van boek 2 van het B.W., volgens artikel 360 B.W. van toepassing zijn op andere rechtspersonen dan gemeenten." Alweer een uiterst merkwaardige, alweer verbijsterende uitspraak, want nooit en te nimmer heb ik beweerd dat Burgerlijk Wetboek Boek 2 Titel 9 van toepassing is op jaarrekeningen van gemeenten. En zo sprak ook het College van Beroep toentertijd de betrokken accountant vrij van een geheel andere klacht dan mìjn klacht! Mijn werkelijke klacht hield immers op geen enkele wijze in dat de betrokken accountant zich zou hebben moeten baseren op Burgerlijk Wetboek Boek 2 Titel 9."
Ondanks mijn glasheldere uiteenzetting maken de leden van uw College zich wederom schuldig aan hetzelfde feit. Door in de onderhavige procedures gebruik te maken van de voorgaande uitspraken herhalen ze, willens en wetens, wat hun voorgangers deden, namelijk het vervangen van de oorspronkelijk door mij ingediende klachten door een geheel andere klacht, en vervolgens het vrijspreken van de betreffende accountants van een klacht niet zijnde mìjn klachten. Dit is dus valsheid in geschrifte ! Dusdoende zijn dus ook de accountants in de onderhavige procedures vrijgesproken van een andere klacht dan de mìjne! Dankzij valsheid in geschrifte door rechters! Verbijsterend!

Slotopmerkingen
Al geruime tijd strijd ik tegen de geweldige misstand van zeer omvangrijke boekhoudfraudes bij gemeenten en provincies  en tegen accountants die bij deze boekhoudfraudes desondanks goedkeurende accountantsverklaringen geven. Op 15 augustus 1998 diende ik mijn eerste klacht in bij de Raad van Tucht tegen een betrokken accountant. Daarna diende ik nog elf andere klachten in. Met kunst- en vliegwerk, zelfs met leugens en met regelrechte valsheid in geschrifte heeft de Raad van Tucht alle klachten afgewezen. Van alle afwijzingen ben ik in beroep gegaan bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Alweer met kunst- en vliegwerk, eveneens met leugens en regelrechte valsheid in geschrifte zijn al mijn klachten nog nooit door het College inhoudelijk beoordeeld! Ik kan niet anders concluderen dan dat hier sprake is van openlijke sabotage van een goede en eerlijke rechtsgang.
Van verschillende gevallen van boekhoudfraude bij gemeenten heb ik bij Justitie aangifte gedaan. Tot op heden zijn deze aangiften door het Openbaar Ministerie geseponeerd met als motivering dat ook in hoger beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven de betreffende accountants zouden zijn vrijgesproken van het geven van goedkeurende accountantsverklaringen bij jaarrekeningen waarin baten en lasten in de winst-en-verliesrekening zouden ontbreken, zodat dus ook het College van Beroep zou hebben uitgemaakt dat er in het geheel geen sprake is van verzwegen baten en lasten. De waarheid is echter dat het College van Beroep met pertinente leugens en valsheid in geschrifte nog nooit inhoudelijk is ingegaan op mijn klachten! De waarheid is dat in de Uitspraken waarop anderen, waaronder het Openbaar Ministerie, zich baseren, sprake is van valsheid in geschrifte. Ik kan dus niet anders doen dan ook overwegen bij Justitie aangifte te doen van valsheid in geschrifte door de betreffende rechters van het College van Beroep.
Mede dankzij leugens en valsheid in geschrifte door rechters gaat de geweldige misstand van enorme boekhoudfraudes bij de overheid onverminderd door!
Intussen kon mede dankzij deze valsheid in geschrifte door (uw) rechters een aangifte wegens smaad tegen mij ingediend worden. Intussen word ik bedreigd en geïntimideerd met civielrechtelijke claims voor gemaakte en eventueel nog te maken proceskosten door de accountants die dankzij valsheid in geschrifte van (uw) rechters vrijuit gingen.

Voor een goede beoordeling van wat ik hierboven schreef, is het wellicht dienstig dat u kennis neemt van de inhoud van mijn pleitnota tijdens de zitting van 24 februari 2005. Daarin geef ik o.a. een algehele samenvatting van het historische en inhoudelijke verloop van alle procedures die ik bij de Raad van Tucht voor Accountants en het College van Beroep gevoerd heb.

Graag verneem ik spoedig van u.

Hoogachtend,

L.W. Verhoef