Dossier: Tuchtzaken
drs. L.W. Verhoef
registeraccountant
Kersengaard 13
3962 JR Wijk bij Duurstede

Wijk bij Duurstede, 28 april 2004

President van het
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Postbus 20021
2500 EA 's-Gravenhage

Betreft:
Wraking
             Procedurenummers AWB 02/1398, 03/263, 03/266, en 03/1171 t/m 1175 TK

Geachte heer President,

Tijdens de zitting van 22 april 2004 van uw College werden in hoger beroep enige door mij tegen een aantal accountants aangespannen tuchtzaken behandeld.  Het gaat om belangrijke zaken. Het gaat om de vraag of de betrokken accountants wel of niet terecht goedkeurende accountantsverklaringen hadden mogen geven bij jaarrekeningen van gemeenten en provincies waarin een misleidend beeld wordt gegeven van de (omvang van de) baten en de lasten en het saldo daarvan. Vast staat inmiddels dat de betreffende jaarrekeningen inderdaad een misleidend beeld geven.
Het is naar mijn mening verbijsterend dat boekhoudfraude niet alleen in het bedrijfsleven voorkomt, maar blijkbaar ook bij de overheid. Ik vind dat accountants die aan boekhoudfraude meewerken, zeker als het de overheid betreft, daarvoor (ook) tuchtrechtelijk aangepakt moeten worden. Vandaar mijn tuchtklachten tegen de betrokken accountants. Vandaar ook mijn aangiften van boekhoudfraude (i.c. valsheid in geschrifte in een jaarrekening) bij Justitie, die deze aangiften inmiddels in onderzoek heeft genomen.
Het is naar mijn mening verbijsterend dat de betrokken accountants in eerste instantie door de Raad van Tucht voor Accountants zijn vrijgesproken. Om redenen die nog verbijsterender zijn. Vandaar mijn beroep tegen de beslissing(en) van de Raad van Tucht.
Ik vind dat ik mag verwachten dat zaken die aan uw College worden voorgelegd met aandacht en met onpartijdigheid worden behandeld. Ik voel mij geschokt tijdens de zitting te hebben moeten constateren dat het aan deze noodzakelijke aandacht en onpartijdigheid ontbrak. Met name het vooringenomen gedrag van de voorzitter van de behandelende kamer heeft mij zeer ontstemd. Dit vooringenomen gedrag viel niet alleen mij op maar ook de enkele belangstellenden op de publieke tribune. Om deze reden leg ik u hierdoor een verzoek voor tot wraking van deze voorzitter. Ik licht dit verzoek onder andere toe met verslagen van de getuigen op de publieke tribune. Volgens informatie van uw griffier met brief van 26 april 2004 is de betreffende voorzitter de heer mr. B. Verwayen.
Het viel op dat geen van de betrokken tien aangeklaagde accountants bij de zitting aanwezig  was. Zij lieten zich vertegenwoordigen door hun (twee) advocaten. Ik kan begrijpen dat de betreffende rechters en advocaten elkaar in wisselende hoedanigheden in verschillende situaties regelmatig ontmoeten, maar het geeft geen enkele pas als voorzitter mr. Verwayen dat tijdens de zitting vertaalt in een sfeer van ouwe-jongens-krentebrood onder elkaar. De heer mr. Verwayen probeerde zelfs niet eens de schijn van onpartijdigheid te vermijden.


Het viel op dat de betreffende twee advocaten geen enkel, maar dan ook geen enkel verweer voerden. Een van beide advocaten had zelfs niet eens de moeite genomen namens zijn cliënten verweerschriften in te dienen. Wel namen en kregen de twee advocaten uitgebreid de tijd uitvoerig te vertellen dat ik met mijn klachtzaken alleen maar bezig was rechters en advocaten van hun werk te houden. Verbijsterend was dat niet alleen voorzitter mr. Verwayen dit allemaal liet gebeuren, maar in lichaamstaal en gesproken taal overduidelijk te kennen gaf het hier helemaal mee eens te zijn. Het had meer pas gegeven als voorzitter mr. Verwayen ter zitting duidelijk had gemaakt dat hij er kennis van genomen had dat er geen enkel inhoudelijk verweer werd gevoerd.

De lichaamstaal van voorzitter mr. Verwayen tijdens het uitspreken van mijn pleitnota was ontstellend. Niet alleen heb ik het volste recht om accountants die zich mede schuldig maken aan omvangrijke boekhoudfraude via de tuchtrechter aan te spreken, ik heb ook het volste recht om daarin serieuze, aandachtige en onpartijdige rechters aan te treffen. Het geeft naar mijn mening geen enkele pas als een rechter, nota bene de voorzitter, niet anders dan een meewarige glimlach te voorschijn kan toveren als ik samenvattend in mijn pleitnota op overduidelijke en niet mis te verstane wijze het grote falen van enkele accountants aangeef, waarbij het diezelfde voorzitter uit zijn voorbereiding duidelijk had moeten zijn geworden dat tegen mijn beschuldigingen voor het College van Beroep door betrokken accountants en hun advocaten geen enkel inhoudelijk verweer was gevoerd.
Ik voelde me afgedaan als hoogstens een amusant persoon die echter wel, omdat hij het juristen moeilijk maakt, zo vlug mogelijk moet worden afgeserveerd.

Een van beide advocaten verwees tijdens de zitting naar een rapport van een hoogleraar Bac dat door twee van de aangeklaagde accountants in de behandeling voor de  Raad van Tucht was aangedragen. Een rapport waarvan ik toentertijd in mijn pleitnota's voor de Raad van Tucht al had aangegeven dat het weliswaar een zeer dik rapport was maar dat het louter bestond uit volstrekt irrelevante informatie, bovendien, niet alleen volstrekt irrelevant in de zaak, maar ook grotendeels onjuist. Het was natuurlijk het grootste recht van de betreffende advocaat wederom naar dit rapport te verwijzen, maar het gaf totaal geen pas dat ik daarna grote moeite moest doen om bij voorzitter mr. Verwayen duidelijk te maken dat ik ook wat van dat rapport vond en dat mijn commentaar te vinden was in de betreffende pleitnota's. De meewarige glimlach van mr. Verwayen maakte al meteen duidelijk dat mr. Verwayen, ongeacht de inhoud van rapporten, zeer onder de indruk is van de dikte van rapporten zeker als die door een professor zijn gemaakt. Waarbij ik hier opmerk dat die professor Bac zeker niet onpartijdig is, maar in de onderhavige kwestie kilo's boter op zijn hoofd heeft en mede daardoor zeer partijdig is.

Aan het eind van de zitting merkte voorzitter mr. Verwayen op dat het mij, zo had hij begrepen, (louter) te doen was om verandering van de wetgeving die voor gemeentelijke en provinciale jaarrekening geldt, met andere woorden: wat doe je hier mijn tijd te verknoeien. Hieruit blijkt alweer de vooringenomenheid van mr. Verwayen, want hoe hij erbij komt dat het mij te doen zou zijn om verandering van de relevante wetgeving, is mij een volslagen raadsel. Ik heb dat nooit beweerd. Ik heb dat (dus) ook nooit aangegeven in klaagschriften en pleitnota's en tijdens mondelinge behandelingen. Het gaat mij (in deze zaken) louter om het aanpakken van accountants die ten onrechte goedkeurende accountantsverklaringen geven bij misleidende jaarrekeningen. Waarbij de relevante wetgeving volstrekt duidelijk is en expliciet voorschrijft dat jaarrekening van gemeenten en provincies betrouwbaar moeten zijn. Het bleek dus ook dat mr. Verwayen zich volstrekt onvoldoende had voorbereid want, had hij dat wèl gedaan, dan had hij door mij aangedragen feiten gekend in plaats van vermoedens die door mij nooit en nergens zijn ingegeven, maar wel tegen mij werken.

Op de publieke tribune waren aanwezig de heer L. Bertholet, gemeenteraadslid van gemeente Zaanstad, mevrouw M. den Oudsten, belangstellend inwoner van gemeente Zaanstad, de heer J. van Heijgen, gemeenteraadslid van gemeente Rotterdam en de heer Th. van Dijk, fractiemedewerker van de gemeenteraadsfractie van de heer Van Heijgen. Zij hebben ieder voor zich een verslag gemaakt van wat zij vanaf de publieke tribune hebben waargenomen. Deze verslagen onderschrijven volledig mijn waarnemingen. Zij vullen deze ook aan. Deze verslagen zijn in door hen ondertekende vorm naar mij onderweg. Zodra ik deze verslagen van hen ontvangen heb, doe ik ze u ter kennisneming toekomen.

Ik verzoek u voorzitter mr. B. Verwayen in deze zaken te vervangen door een andere rechter.

De onderhavige zaken zijn voorafgegaan door een andere zaak. Het is zaak AWB 99/458 TK. Ook over de behandeling van deze zaak had ik toentertijd klachten. Ik heb u daarvan op de hoogte gesteld met mijn brief aan u van 14 juli 2000. Op mijn brief reageerde u met uw brief van 21 juli 2000, reageerde ik met mijn brief van 25 juli 2000 en reageerde u met uw brief van 4 september 2000. Mijn klacht was toentertijd voornamelijk dat uw College niet op (al) mijn klachten was ingegaan en daarmee die klachten onbehandeld had gelaten.
Ik moge u verzoeken te bevorderen dat thans in de onderhavige zaken wèl op (al) mijn klachten en op de door mij aangedragen feiten wordt ingegaan. Ik moge u verzoeken te bevorderen dat de betreffende rechters ontdekken dat voor de behandeling in beroep voor uw College door de betrokken accountants geen inhoudelijk verweer is gevoerd.

Hoogachtend,

L.W. Verhoef