Dossier: Strafzaken
drs. L.W. Verhoef
registeraccountant
Kersengaard 13
3962 JR Wijk bij Duurstede

Wijk bij Duurstede, 2 april 2005

Gerechtshof te 's-Hertogenbosch
Postbus 70583
5201 CZ 's-Hertogenbosch

Betreft: Klacht WSv art.12-procedure
            Vervolging boekhoudfraude gemeente Tilburg
            Uw referentie: ??

Geacht Hof,

Met mijn brief d.d. 19 januari 2005 legde ik u een klacht voor op grond van Wetboek van Strafvordering artikel 12 vanwege het niet vervolgen van de schuldigen aan valsheid in geschrifte in jaarrekeningen (populair uitgedrukt als: boekhoudfraude) bij gemeente Tilburg.
In mijn klacht legde ik uit dat na mijn aangifte van dit strafbare feit (een zwaar misdrijf waar zeven jaar gevangenisstraf op kan staan) mijn aangifte zelfs niet in behandeling was genomen. Naar aanleiding van mijn klacht heeft de Officier van Justitie te Breda mij met brief van 10 maart 2005 zijn motivering laten weten om geen vervolg te geven aan mijn aangifte. Hierdoor laat ik u weten wat ik vind van die motiveringen.
Samenvattend: die motiveringen raken kant noch wal, zijn niet ter zake doende dan wel zelfs geheel onjuist. Waarmee een recente uitlating van procureur-generaal Steenhuis bevestigd wordt dat het Openbaar Ministerie totaal niet is uitgerust om zoiets als boekhoudfraude te onderkennen en te vervolgen.

De boekhoudfraude bij gemeente Tilburg is niet de enige die ik door middel van een aangifte bij het Openbaar Ministerie onder de aandacht heb gebracht. Ik deed inmiddels in een twintigtal gevallen eveneens aangifte van boekhoudfraude bij evenzoveel gemeenten en provincies. Het valt op hoe slordig politie en Openbaar Ministerie met deze aangiften omgaan. In het merendeel van de gevallen zijn ze gewoonweg onbehandeld onder in een of andere bureaulade verdwenen. Eerst door mijn klachten bij de diverse Gerechtshoven komen ze na lang zoekwerk boven water (niet ongebruikelijk is dat ik word gebeld met de vraag waar en wanneer ik dan wel de betreffende aangiften gedaan heb). Verder valt op dat mijn aangiften die, al dan niet pas na een klacht bij een Gerechtshof, het bureau van een Officier van Justitie bereiken, alle worden afgedaan met exact dezelfde woorden. Ook de in de onderhavige zaak betreffende Officier heeft dus nooit zelf onderzoek gedaan, maar gewoon klakkeloos andermans werk overgeschreven. Zonder zelfs maar enigszins rekening te houden met mijn eerdere reacties daarop. Wat alweer de uitlating van procureur-generaal Steenhuis bevestigt. En waaruit een totale minachting blijkt van mijn persoon en mijn acties om deze geweldige misstand aan de kaak te stellen.

Opvallend is dat bij de behandeling van geen van mijn aangiften, dus ook niet van mijn aangifte van boekhoudfraude bij gemeente Tilburg, iemand van politie en/of Justitie de moeite genomen heeft mij om nadere informatie te vragen en inzage te vragen in mijn omvangrijke dossiers. Terwijl het toch om een belangrijke zaak en een zwaar misdrijf gaat. Wat illustratief is voor het totale gebrek aan interesse en kennis bij het Openbaar Ministerie.

In zijn brief van 10 maart 2005 zegt de Officier dat ik in mijn aangifte niet aangeef welke ontvangsten en uitgaven buiten het zicht zijn gelaten en verzwegen. Wel, dat is een onmogelijkheid. Een jaarrekeningtechnisch deskundige, zoals ikzelf, kan alleen uit het gebrek aan consistentie tussen een aantal essentiële cijfers van de jaarrekening concluderen dat er bedragen in de winst-en-verliesrekening zijn verzwegen. In de jaarrekening is echter niet te zien welke baten en lasten het zijn. Dat is juist onderdeel van de boekhoudfraude. Alleen onderzoek in de boekhouding van gemeente Tilburg kan inzicht geven in de verzwegen bedragen. Dat onderzoek had nu juist door het Openbaar Ministerie moeten plaatsvinden naar aanleiding van mijn aangifte.
De Officier zegt dat ik niet heb aangegeven waarop ik mijn conclusies baseer dat er bedragen zijn verzwegen. Hij heeft er zelfs niet eens naar gevraagd. Om mijn onderzoeksbevindingen te kunnen begrijpen, die overigens natuurlijk altijd voor Justitie beschikbaar zijn geweest, is evenzoveel deskundigheid van de zijde van het Openbaar Ministerie nodig. De eerder genoemde uitlating van procureur-generaal Steenhuis stemt niet vrolijk.
De officier beroept zich op uitspraken van "de" (welke?) Raad van Tucht. De Officier bedoelt de Raad van Tucht voor Registeraccountants en Accountant-Administratieconsulenten te Amsterdam. Echter, de Officier geeft ervan blijk de uitspraken zelf niet te kennen. Als dat wèl het geval was geweest, had hij de uitspraken niet verkeerd geciteerd. De Raad van Tucht heeft stellig NIET gezegd dat "vanuit wetenschappelijk oogpunt kan worden gesteld dat kritiek met betrekking tot deze jaarrekening in alle redelijkheid tot de mogelijkheden behoort". De Raad van Tucht heeft gezegd dat "vanuit wetenschappelijke opvattingen inzake jaarverslaggeving kritiek op de regelgeving met betrekking tot de jaarrekening van een publiekrechtelijk lichaam in redelijkheid tot de mogelijkheden behoort". Dat is iets heel anders! Overigens was die opmerking van de Raad van Tucht volkomen irrelevant. Het had met mijn aan die Raad voorgelegde klachten tegen de betrokken accountant helemaal niets te maken. De Officier concludeert: "Dat betekent dat de jaarrekeningen en de toelichting van de provincies Noord- en Zuid-Holland en de gemeente Den Haag, getrouw en duidelijk en stelselmatig de omvang van alle baten en alle lasten, alsmede het saldo daarvan, weergaven (art 27 Comptabiliteitswet)." Een typisch staaltje van jumping into conclusions. Allereerst was dit stellig NIET de/een conclusie van de Raad van Tucht. Het is een conclusie van de Officier zelf, niet gehinderd door enige kennis van wat de Raad van Tucht wèl geconcludeerd heeft. Die heeft namelijk geconcludeerd dat ik helemaal gelijk had in mijn beweringen over verzwegen bedragen!
(Uiterst slordig van de Officier is dat hij "Comptabiliteitswet" zegt, terwijl het om de zogenoemde "Comptabiliteitsvoorschriften" ging. Een "Comptabiliteitswet" bestaat ook, maar die heeft geen enkele betrekking op jaarrekeningen van gemeenten. Alweer een bewijs van de totale ongeïnteresseerdheid en ondeskundigheid van de Officier en het Openbaar Ministerie.)
De Officier verwijst naar uitspraken van de Raad van Tucht voor Accountants. Alsof die in strafzaken het laatste woord zou hebben. Die Raad van Tucht is (slechts) tuchtrechter. En al helemaal geen strafrechter, en in deze zeker geen bevoegd strafrechter. Voor de Raad van Tucht was ook stellig niet het Wetboek van Strafrecht aan de orde en wat dat Wetboek zegt over valsheid in geschrifte in jaarrekeningen, maar louter en alleen de gedrags- en beroepsregels voor accountants.
De Officier maakt melding van correspondentie die ik gevoerd zou hebben met de Minister van Justitie waaruit zou blijken dat het mij te doen is om "een verbetering van verantwoording van de besteden (let op de foute "n"; de Officier is blijkbaar zelfs niet in staat tot foutloos taalgebruik) gelden van lokale overheden". Wel, die correspondentie bestaat NIET. Er bestaat wèl correspondentie met de Minister van Justitie waarin ik mij beklaag over het gehannes en gestuntel van het Openbaar Ministerie in de behandeling van mijn aangiften en de bestrijding van boekhoudfraude bij de overheid zelf. Dat is iets geheel anders! Ook overigens is alles wat de Officier in deze alinea schrijft, geheel en al irrelevant voor de onderhavige zaak!
Onderaan pagina 2 (voorlaatste regel) zegt de Officier "door Verhoef", terwijl hij "door u" bedoelt. Waaruit het louter klakkeloos en ongeïnteresseerd overschrijven door de Officier duidelijk wordt.

Kortom, een schandalige afdoening van een aangifte van een zwaar misdrijf.

Ik maak van de gelegenheid gebruik u tevens een kopie over te leggen van een door mij onder de titel "Boekhoudfraude bij gemeenten in relatie tot de OZB" geschreven bijdrage in het decembernummer 2004 van het tijdschrift "Vastgoed", een uitgave van de vereniging "Vastgoed Belang". Dit artikel geeft u heel in het kort veel achtergrondinformatie en laat ook bijvoorbeeld de slachtoffers zien van de boekhoudfraude bij veel gemeenten, waaronder gemeente Tilburg.

Ik verzoek u mij de goede ontvangst van deze brief te bevestigen en mij tevens nog te antwoorden op mijn brief aan u van 1 maart jl, waarin ik u vroeg naar uw referentienummer van deze zaak en de referentienummers van mijn andere aan uw Hof voorgelegde klachten. Dan zijn ten minste mìjn dossiers op orde.

Met hoogachting,

L.W. Verhoef