Dossier: Strafzaken
drs. L.W. Verhoef
registeraccountant
Kersengaard 13
3962 JR Wijk bij Duurstede

Wijk bij Duurstede, 20 november 2012

De President van het Gerechtshof Amsterdam
Postbus 1312
1000 BH Amsterdam

Betreft:  Voortgang behandeling klacht o.b.v. artikel 12 WSv. dd. 3 april 2012
              Mijn brieven dd. 9 oktober 2012 en 6 november 2012

              Klacht betreffende niet willen behandelen door Openbaar Ministerie van aangiften van valsheid in geschrifte
              door gemeentebestuur(ders) van Amsterdam in de jaarrekeningen van de gemeente over de jaren 1998-2010
              ten bedrage van (inmiddels) circa € 3,7 miljard

              (Boekhoudfraude)
              Wetboek van Strafrecht artikelen 225-227 en 336

Geachte heer President,

Met mijn brief aan uw Gerechtshof dd. 3 april 2012 legde ik uw Hof op basis van Wetboek van Strafvordering artikel 12 mijn klacht voor betreffende de totale onwil van het Openbaar Ministerie mijn aangifte in behandeling te nemen van ongekende valsheid in geschrifte door de gemeentebestuurders van gemeente Amsterdam in de achtereenvolgende jaarrekeningen van de gemeente over de jaren 1998-2010, tegenwoordig aangeduid als "boekhoudfraude", een boekhoudfraude met een omvang van circa € 3,7 miljard, een omvang vele malen groter dan de boekhoudfraude indertijd bij Ahold waarvoor bestuurders strafrechtelijk gestraft werden. Mijn klacht ging vergezeld van uitvoerige documentatie en onderbouwing.
Met brief van 5 april 2012 bevestigde uw Hof de ontvangst van mijn brief en zette de te volgen gang van zaken uiteen.
Omdat ik op 9 oktober 2012, een half jaar later, nog niets over de voortgang van de behandeling van mijn klacht door uw Hof vernomen had, informeerde ik met mijn brief dd. 9 oktober 2012 naar de voortgang ervan. Omdat ik op 6 november 2012, weer maand verder, alweer nog niets over de voortgang van de behandeling van mijn klacht door uw Hof vernomen had, informeerde ik met mijn brief dd. 6 november 2012 opnieuw naar de voortgang ervan. Tot op heden mocht ik nog steeds niets van uw Hof vernemen.

In mijn brief van 9 oktober 2012 schreef ik o.m.:
"Ik neem aan dat deze enorme vertraging het gevolg is van het uitblijven van de activiteiten die naar aanleiding van mijn klacht, zoals door u beschreven in uw reactie dd. 5 april 2012, zouden moeten zijn ondernomen door de Advocaat-Generaal, de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie, deelgenoot van het College van Procureurs-Generaal, welk college juist mede schuldig is aan het niet willen behandelen van mijn aangifte, zoals door mij beschreven in de toelichting bij mijn klacht dd. 3 april 2012 (populair aangeduid als "de slager die zijn eigen vlees keurt"). Bij mij begint het vermoeden van medeplichtigheid op te komen!"
Mijn vermoeden van medeplichtigheid en nu ook van samenspanning met uw Hof begint vastere vorm te krijgen.

Gaarne verneem ik van u.

Hoogachtend,

L.W. Verhoef