Dossier: Strafzaken
drs. L.W. Verhoef
registeraccountant
Kersengaard 13
3962 JR Wijk bij Duurstede

Wijk bij Duurstede, 3 april 2012

Het Gerechtshof Amsterdam

Postbus 1312
1000 BH Amsterdam

Betreft:  Klacht o.b.v. artikel 12 Wetboek van Strafvordering
              Klacht betreffende niet willen behandelen door Openbaar Ministerie van aangiften van
              valsheid in geschrifte door gemeentebestuur(ders) van Amsterdam in de jaarrekeningen
              van de gemeente over de jaren 1998-2010 ten bedrage van (inmiddels) circa € 3,7 miljard

              (Boekhoudfraude)
              Wetboek van Strafrecht artikelen 225-227 en 336

Met mijn brief dd. 21 oktober 2011 deed ik bij het College van procureurs-generaal (de hoogste leiding van het Openbaar Ministerie) aangifte van het strafbare feit van het misdrijf van (opzettelijke) valsheid in geschrifte door de bestuurders van gemeente Amsterdam in de achtereenvolgende jaarrekeningen van de gemeente over de periode 1998-2010, wat we tegenwoordig wel plegen aan te duiden met "boekhoudfraude". De omvang daarvan bedraagt inmiddels circa € 3,7 miljard. De boekhoudfraude bij Ahold waarvoor enkele jaren geleden bestuurders van Ahold strafrechtelijk werden gestraft, verbleekt er totaal bij.
Het College van procureurs-generaal weigert (bij mededeling in zijn brief dd. 15 maart 2012) ten ene male mijn aangifte in behandeling te nemen. Voor zover het College daarvoor enige motivering geeft, heeft deze totaal geen enkele betrekking op de inhoud van mijn aangifte, gaat aan deze inhoud geheel en al voorbij, kortom, slaat als de spreekwoordelijke tang op een varken. Het College wenst op geen enkele manier in te gaan op de inhoud van mijn aangifte en blijft halsstarrig weigeren de aangifte in behandeling te nemen.

Slachtoffers van deze zware boekhoudfraude en dus ook slachtoffers van de weigering van het Openbaar Ministerie mijn aangifte van deze zware boekhoudfraude in behandeling te nemen, zijn de belastingbetalers, waaronder ikzelf.

Hierdoor verzoek ik uw Hof op grond van artikel 12 Wetboek van Strafvordering het Openbaar Ministerie opdracht te geven de aangifte in behandeling te nemen en bovendien de aangifte even serieus te behandelen als het Openbaar Ministerie dat bijvoorbeeld indertijd deed in de kwestie van de boekhoudfraude bij Ahold. Er mag geen sprake zijn van rechtsongelijkheid!

Inhoud en omvang van de boekhoudfraude
"Boekhoudfraude" is de (ongelukkige) vertaling van het engelstalige begrip "accounting fraud", wat in het Nederlands het beste kan worden aangeduid met "het geven van een onware/misleidende voorstelling van zaken in een financiŽle verantwoording, i.c. in een jaarrekening", in termen van het Wetboek van Strafrecht: valsheid in geschrifte, i.c. in een jaarrekening (artikelen 225-227 en 336). De betreffende bestuurders van Ahold zijn indertijd veroordeeld op basis van Wetboek van Strafrecht artikelen 225-227: valsheid in geschrifte, en artikel 336: valsheid in geschrifte in een jaarrekening.
De misleiding in de jaarrekeningen van gemeente Amsterdam over de jaren 1998-2010 is vele malen erger en omvangrijker dan die in de jaarrekeningen van Ahold, waarvoor bestuurders strafrechtelijk gestraft werden.

Het gemeentebestuur van Amsterdam deed het in de jaarrekeningen over de periode van 1998 tot en met 2010 vůůrkomen of de gemeente in die periode 422 miljoen euro had overgehouden (verschil tussen opbrengsten en kosten). In werkelijkheid, zo wijst onderzoek uit, was het voordelig saldo van de opbrengsten en de kosten van de gemeente in die periode 4.110 miljoen euro; een verschil derhalve van 3.688 miljoen euro (afgerond € 3,7 miljard!).
De gemeente legde bijvoorbeeld in die periode 1.837 miljoen euro Onroerendezaakbelasting op. Als het gemeentebestuur klip en klaar de wŤrkelijke saldi van opbrengsten en kosten had gepresenteerd, zou iedereen meteen duidelijk zijn geworden dat bijvoorbeeld de Onroerendezaakbelasting in die periode geheel en al overbodig was, en dus onnodig opgelegd en geÔncasseerd. Nu werd dit met misleidende jaarrekeningen gemaskeerd.
Nog erger: ervan uitgaande dat het normaal is dat ook de Amsterdammers gewoon Onroerendezaakbelasting betalen, betekent bovenstaande dat de gemeentebestuurders van Amsterdam met boekhoudfraude (i.c. valsheid in geschrifte) maskeerden dat Amsterdam in deze periode onnodig nog meer (uw en mijn) (inkomsten-)belasting incasseerde dan het al gemelde overschot van 422 miljoen, namelijk 3.688 miljoen euro. Bij circa 17 miljoen inwoners van Nederland, is dat 217 euro per iedere inwoner! Dat is voor een gezin van 4 personen circa 870 euro: 870 euro onnodig en dus teveel opgelegde en geÔncasseerde belasting! Met valsheid in geschrifte gemaskeerd!
Mijn aangifte van valsheid in geschrifte is dus niet een abstracte academische kwestie!

De bedragen waarmee telkens de rekeningen van baten en lasten eindigden, en die steevast en herhaaldelijk door het gemeentebestuur in de jaarrekeningen/jaarverslagen in teksten rond de rekening van baten en lasten en ook buiten de jaarrekeningen (bijvoorbeeld in officiŽle berichtgeving daarover, zoals in persberichten, en naar de volksvertegenwoordiging, de gemeenteraad) als hŤt saldo van ŗlle baten en ŗlle lasten werden gepresenteerd, zijn stellig NIET de saldi van ŗlle baten en lasten. Alleen goed geschoolde en ervaren jaarrekening-deskundigen, die weet hebben van bijvoorbeeld de dwingende samenhang tussen de onderdelen Balans en Rekening van baten en lasten van een jaarrekening, zien aan de betreffende jaarrekeningen van gemeente Amsterdam, i.c. door de inconsistentie tussen rekening van baten en lasten en balans, dat het niet klopt, i.c. dat wat als saldo van baten en lasten wordt gepresenteerd, NIET het saldo van de (= alle) baten en lasten is. Echte deskundigen kunnen het juiste (i.c. volledige) bedrag van het saldo van de baten en lasten berekenen met behulp van door de jaarrekening heen verspreide gegevens uit met name de balans en de toelichtingen daarbij.

De genoemde bedragen zijn gespecificeerd naar betreffende jaren:
(x € miljoen)

gepresenteerd
saldo
werkelijk
saldo
verschil OZB
1998 1 292 291 118
1999 0 376 376 123
2000 0 722 722 123
2001 - 5 350 355 141
2002 17 440 423 141
2003 - 6 - 194 - 188 150
2004 60 398 338 165
2005 45 208 163 172
2006 0 121 121 130
2007 52 113 61 131
2008105570465142
2009121849728142
2010  32- 135- 167  159
422 4.110 3.688 1.837

Mijn aangifte ging, voor alle duidelijkheid, niet over wel of niet correcte toepassing van de betreffende wettelijke voorschriften, zoals iets als Comptabiliteitsvoorschriften en/of een of ander BBV, maar over "valsheid in geschrifte" en dat is iets TOTAAL ANDERS !! Ook de Gemeentewet (artikel 213 lid 3) maakt dat expliciet duidelijk. Ook in de Ahold-boekhoudfraudezaak heeft het Gerechtshof uitdrukkelijk gesteld dat het daar NIET ging over wel of niet correcte naleving van de betreffende wettelijke voorschriften (i.c. Burgerlijk Wetboek Boek 2 Titel 9), maar over onwaarheid/misleiding en dus valsheid in geschrifte!
(Overigens, de betreffende jaarrekeningen van Amsterdam voldeden en voldoen op essentiŽle onderdelen stellig niet aan die Comptabiliteitsvoorschriften en dat BBV, maar dat terzijde; nogmaals, daar ging het in mijn aangiften totaal niet over, het ging over onwaarheid en misleiding, het ging over valsheid in geschrifte!)

Ter voorkoming van misverstand: bij deze zwaar misleidende jaarrekeningen staan accountantsverklaringen; deze zijn echter geenszins in strijd met mijn beweringen over valsheid in geschrifte. Geheel in strijd met Gemeentewet artikel 213 lid 3, dat voorschrijft dat de accountantsverklaring Ťn een oordeel moet geven over de betrouwbaarheid van de betreffende jaarrekening ("... geeft (g)een getrouw beeld ...") Ťn over de vraag of de betreffende jaarrekening wel of niet voldoet aan de Comptabiliteitsvoorschriften respectievelijk het BBV, vermelden de accountantsverklaringen slechts dat de jaarrekeningen zouden voldoen aan de Comptabiliteitsvoorschriften respectievelijk het BBV (wat overigens volstrekt onjuist is, want de betreffende jaarrekeningen voldoen op essentiŽle onderdelen beslist niet aan de Comptabiliteitsvoorschriften respectievelijk het BBV; maar dat terzijde, want daar gaan mijn aangiften helemaal niet over. Die gaan over valsheid in geschifte, iets geheel anders!).

Belanghebbende
Voor toepassing van Wetboek van Strafvordering artikel 12 moet de klager aantonen in de kwestie belanghebbende te zijn. Ik meen stellig in deze zaak belanghebbende te zijn.

Allereerst ben ook ik belastingbetaler en dus slachtoffer van deze zware boekhoudfraude. Zoals hierboven gezegd, maskeerden de betreffende gemeentebestuurders van Amsterdam met boekhoudfraude dat er onnodig belastinggeld naar de gemeente Amsterdam is gegaan, waar het ongebruikt op de plank bleef liggen: 3.688 miljoen euro, oftewel 217 euro per inwoner van Nederland, dat wil zeggen een veelvoud daarvan per belastingbetaler (er zijn immers minder belastingbetalers dan inwoners). Zoals voor het opstarten van een gerechtelijke procedure inzake foute jaarrekeningen van ondernemingen het enkel zijn van aandeelhouder (ťťn aandeel is al genoeg, hoe groot het concern en het aantal aandeelhouders ook moge zijn!) al voldoende is om per definitie qualitate qua de (wettelijke!) status van belanghebbende te hebben, zo zal toch ook het enkele feit van belastingbetaler-zijn genoeg moeten zijn om in zaken als de onderhavige belanghebbende te zijn. Hoe zou je anders Łberhaupt in dit soort zaken belanghebbende kunnen zijn? De belastingbetalers zijn de "aandeelhouders" van (rijks)overheid, gemeenten en provincies; het gaat om hķn geld! Het gaat om mžjn geld!
Voorts behoort de/een overheid naar mij als belastingbetaler eerlijk verslag te doen van wat er met mijn belastinggeld is gebeurd en hoeveel daaraan is tekort gekomen dan wel hoeveel daarvan is overgehouden. Deze verslagen (i.c. de betreffende jaarrekeningen) voldoen nžet aan deze eisen. Ik ben daardoor als belastingbetaler, dus als belanghebbende, gedupeerd!

Voorts stel ik als meelevende en meedenkende en wellevende burger rechtsgelijkheid zeer op prijs. Als ik ten gevolge van mijn deskundigheid een zwaar misdrijf constateer en vervolgens zware rechtsongelijkheid in de behandeling van mijn aangifte daarover en er melding van maak, zal het niet zo zijn dat ik als zogenaamde niet-belanghebbende buiten spel word gezet! Het zou fnuikend zijn voor het hebben van nog enig respect voor onze rechtsstaat! Het zou kunnen betekenen dat mijn bereidheid om nog eventueel aangifte te doen van andere door mij geconstateerde misdrijven voortaan tot een nulpunt daalt. Ik ben in mijn grondrechtelijke waarden aangetast als ik zware rechtsongelijkheid zou moeten accepteren doordat geaccepteerd zou worden dat het Openbaar Ministerie buitengewoon fanatiek en met veel bombarie een vrij onschuldig geval van boekhoudfraude bij het bedrijfsleven wŤl oppakt (het ging in de Ahold-boekhoudfraudezaak om een geldsbedrag van driekeer niks) en er gewoon geen zin in heeft om een zaak van een boekhoudfraude van € 3,7 miljard bij een overheidslichaam aan te pakken en daarmee weg zou komen.

Voorgeschiedenis
Voorafgaand aan het doen van de hierboven genoemde aangifte bij het College van procureurs-generaal deed ik eerder aangifte hiervan bij de Hoofdofficier van Justitie te Amsterdam; dit met mijn brief dd. 16 november 2010 inzake de misleidende jaarrekeningen over de jaren 1998-2009, aangevuld met mijn brief dd. 15 september 2011 inzake de misleidende jaarrekening over 2010. Met brief dd. 30 maart 2011 (eerst ontvangen op 22 april 2011) reageerde een Officier van Justitie met een totale afwijzing, echter met argumenten die totaal geen enkele betrekking hebben op de inhoud van mijn aangifte en die ook aan de werkelijke inhoud van mijn aangifte geheel en al voorbij gaan, kortom, het sloeg als de spreekwoordelijke tang op een varken. Het totale gebrek aan enige deskundigheid terzake spatte eraf. Met mijn brief dd. 15 september 2011 aan de Hoofdofficier van Justitie te Amsterdam ging ik uitgebreid in op de reactie van deze Officier en wees ik indringend op alle fouten in deze reactie. Het mocht niet baten; tegen dergelijke totale onwil is blijkbaar geen kruid gewassen. Met mijn brief dd. 15 september 2011 deed ik hierover mijn beklag bij het College van procureurs-generaal. Met mijn brief dd. 21 oktober 2011 deed ik officieel aangifte bij het College van procureurs-generaal. Na herinneringen van mij dd. 12 november 2011 en 14 december 2011 reageerde het College van procureurs-generaal pas op 15 maart 2012 op mijn aangifte. Alweer een totale afwijzing. Het College verwees naar de argumenten van de Officier van Justitie in zijn brief dd. 30 maart 2011, ondanks dat ik eerder uitvoerig had aangetoond dat van deze argumenten helemaal niets klopte, zonder dat het College ook maar enigszins inging op mijn argumenten dat er van de argumenten van deze Officier (en nu dus ook van het College) helemaal maar dan ook werkelijk helemaal niets klopt!

Dus was ik genoodzaakt mijn beklag te doen bij uw Gerechtshof.

Bijlagen
Ik stuur als bijlagen mee:
- Mijn brief dd. 16 november 2010 aan de Hoofdofficier van Justitie te Amsterdam, inhoudende aangifte van het misdrijf van valsheid in geschrifte in de jaarrekeningen over de periode 1998-2009 van gemeente Amsterdam.
- Brief dd. 30 maart 2011 (pas ontvangen op 22 april 2011) van de behandelend Officier van Justitie met zijn reactie op de aangifte dd. 16 november 2010.
- Mijn brief dd. 15 september 2011 aan de Hoofdofficier van Justitie te Amsterdam, inhoudende mijn reactie op zijn reactie dd. 30 maart 2011, en tevens hernieuwde aangifte van het misdrijf van valsheid in geschrifte in de jaarrekeningen over de periode 1998-2009 van gemeente Amsterdam, aangevuld met aangifte van het misdrijf van valsheid in geschrifte in de jaarrekening 2010 van gemeente Amsterdam.
- Brief dd. 23 september 2011 van behandelend Officier van Justitie met zijn reactie op mijn brief dd. 15 september 2011 en mijn aangifte dd. 15 september 2011.
- Mijn brief dd. 26 september 2011 aan College van procureurs-generaal, inhoudende verzoek om op grond van mijn aangiften en mijn reactie op de reactie van de betreffende Officier de Hoofdofficier van Justitie te Amsterdam opdracht te geven tot vervolging over te gaan.
- Brief dd. 13 oktober 2011 van College van procureurs-generaal met mededeling niet aan mijn verzoek dd. 26 september 2011 te zullen voldoen.
- Mijn brief dd. 21 oktober 2011 aan College van procureurs-generaal inhoudende nieuwe aangifte van het misdrijf van valsheid in geschrifte in de jaarrekeningen over de periode 1998-2010 van gemeente Amsterdam.
- Mijn brieven dd. 12 november 2011 en 14 december 2011 aan College van procureurs-generaal inhoudende herinnering aan mijn aangifte dd. 21 oktober 2011.
- Brief dd. 15 maart 2012 van College van procureurs-generaal met totale afwijzing.

Ik verzoek u om een goed beeld te krijgen van waar het om gaat, ook nauwkeurig kennis te nemen van de inhoud van deze bijlagen.

drs. L.W. Verhoef RA