Dossier: Openbaar Ministerie
drs. L.W. Verhoef
r
egisteraccountant

Kersengaard 13

3962 JR Wijk bij Duurstede


Wijk bij Duurstede, 3 september 2004

Functioneel Parket van het
Openbaar Ministerie

Postbus 19518

2500 CM Den Haag


Betreft:
Aangiften boekhoudfraude gemeenten en provincies

Geachte mevrouw, mijnheer,

Al enige jaren strijd ik tegen de misstand dat in de jaarrekeningen van veel gemeenten (en provincies) een totaal misleidend beeld wordt gegeven van de omvang van de baten en de lasten en het saldo daarvan en van de financiële positie. Het komt regelmatig voor, vaak tot zeer grote bedragen, dat baten en lasten helemaal niet in de rekening van baten en lasten worden opgenomen, waardoor uiteraard het saldo waarmee de rekening dan eindigt, niet het saldo is van alle baten en lasten. Desondanks wordt dit foute en onvolledige saldo als het saldo van alle baten en lasten genoemd. Vrijwel steeds worden op deze misleidende manier grote overschotten verzwegen. Tegenwoordig noemen we dit boekhoudfraude. Boekhoudfraude komt dus niet alleen voor bij het bedrijfsleven, maar blijkbaar ook bij de (lokale) overheid. Dat is niet zonder gevaar. Gemeenteraden moeten aan de hand van de rekening van baten en lasten in vergelijking met de begroting controleren of het gemeentebestuur bijvoorbeeld geen uitgaven heeft gedaan buiten de begroting om. Daarvoor hebben zij uiteraard wel betrouwbare, dus juiste en  volledige, cijfers in die rekening nodig. Een ander voorbeeld: (mede) op grond van het saldo waarmee de rekening sluit, moeten gemeenteraden beslissen over de hoogte en verhogingen van de lokale belastingen en heffingen, zoals de onroerendezaakbelasting. Het is dan noodzakelijk dat de gemeenteraden kunnen beschikken over betrouwbare, dus juiste en volledige, cijfers. Misleidende cijfers leiden gemakkelijk tot verkeerde beslissingen. Onderzoek van mij heeft mij laten zien dat die cijfers bij veel gemeenten verre van juist en verre van volledig, dus zeer onbetrouwbaar, dus misleidend, zijn. We weten allemaal van de vele verhogingen van de lokale lasten met percentages die de inflatie te boven gaan. Dit is bij verschillende gemeenten ongetwijfeld mede het gevolg van boekhoudfraude.

Na grondig onderzoek heb ik in twintig gevallen van door mij geconstateerde boekhoudfraude bij Justitie daarvan (i.c. van valsheid in geschrifte in een jaarrekening) aangifte gedaan. In deze twintig gevallen gaat het om een boekhoudfraude van in totaal circa vijf miljard euro, een veelvoud bijvoorbeeld van de boekhoudfraude bij Ahold, waar Justitie inmiddels een onderzoek is gestart. Gemeente Amsterdam spant de kroon; daar is de boekhoudfraude inmiddels vanaf 1998 opgelopen naar circa 2 miljard euro.


Inmiddels hebben enkele van mijn aangiften het bureau van een Officier van Justitie bereikt. Het zijn de Hoofdofficieren te Breda en te Utrecht. Deze officieren hebben beiden besloten de aangiften te seponeren. Mij is gebleken dat beiden hun beslissing gebaseerd hebben op van uw Functioneel Parket verkregen adviezen. Daarbij is mij gebleken dat u uw adviezen gebaseerd heeft op uitspraken van de Raad van Tucht voor Accountants en het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Dat betekent dat u dus blijkbaar beschikt over de uitspraken van deze organen hoewel deze nog niet gepubliceerd zijn. U beschikt echter niet over de aan de uitspraken voorafgegane processtukken. Als u deze wèl had gehad, had u kunnen zien dat u aan de uitspraken van Raad van Tucht en College van Beroep beslist niet mag afleiden dat er geen sprake is van boekhoudfraude, i.c. valsheid in geschrifte. De betreffende accountants zijn namelijk niet vrijgesproken omdat er geen sprake zou zijn van boekhoudfraude, maar louter en alleen vanwege schrikbarende procedurefouten en onzorgvuldigheden van de beide organen. Het is zelfs zo dat uit de combinatie van processtukken en uitspraken kan worden afgeleid dat de beide organen mijn stellingen omtrent het misleidende karakter van de betreffende jaarrekeningen geheel en al bevestigen! Dat werpt een bijzonder licht op uw adviezen aan de beide officieren, die uit uw adviezen concluderen dat de beide tuchtrechters uitgemaakt zouden hebben dat er geen sprake zou zijn van boekhoudfraude.


Vanwege deze verbijsterende procedurefouten van de tuchtrechters heb ik een klacht daarover voorgelegd aan de president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven en de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden. (Die beiden inmiddels hebben laten weten geen formele mogelijkheden te hebben mijn klachten te behandelen.) Mijn brief aan de president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven zal u echter duidelijk maken op grond waarvan u uit de uitspraken van de beide tuchtorganen niet kunt concluderen dat deze organen hebben uitgemaakt dat er geen sprake zou zijn van boekhoudfraude. Ik stuur u daarom hierbij een kopie van deze brief. Ik verzoek u zeer goede notitie te nemen van de inhoud van deze brief.


Ik verzoek u op grond van het voorgaande en de inhoud van mijn brief aan de president van het College van Beroep uw mening aangaande het strafrechtelijk karakter te heroverwegen en te herzien. Ik verzoek u dringend uw adviezen aan de officieren te Breda en te Utrecht aan te passen. Ik verzoek u hierbij te overwegen dat mede door uw handelen de boekhoudfraudes bij de betreffende gemeenten en provincies onverminderd, ongehinderd, schaamteloos en straffeloos doorgaan. Ik geef u ook ter overweging te bedenken dat het hierbij gaat om integriteit van het openbaar bestuur.


Ik wijs u op de omstandigheid dat al eerder accountants vanwege hun goedkeurende accountantsverklaringen bij misleidende jaarrekeningen door de (straf)rechter zijn veroordeeld. De rechtbank (Rechtbank Leeuwarden, niet gepubliceerde uitspraak 1989) sprak uit: "Het is niet voor niets dat in het maatschappelijk verkeer grote waarde wordt toegekend aan de goedkeurende verklaring van een registeraccountant. Op grond van het vorenoverwogene ... is de rechtbank ... van oordeel dat voor een zo flagrante schending van dat vertrouwen ... slechts het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming op haar plaats is." De betreffende accountants zijn in deze zaak tot zware straffen veroordeeld. In deze zaak ging het om slechts peanuts vergeleken met de omvang van de boekhoudfraudes waarover ik het in mijn aangiften heb.

Graag verneem ik van u.


Met hoogachting,

L.W. Verhoef