Dossier: Tweede Kamer
drs. L.W. Verhoef
registeraccountant
Kersengaard 13
3962 JR Wijk bij Duurstede

Wijk bij Duurstede, 22 april 2001

Tweede Kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA Den Haag

Betreft: Jaarrekeningen en begrotingen van gemeenten en provincies

Geachte dames en heren,

Met mijn brieven van 18 oktober 2000 en 10 februari 2001 informeerde ik u over de op grote schaal in ons land voorkomende misstand dat de begrotingen en jaarrekeningen van (de meeste) gemeenten en provincies al dan niet opzettelijk een totaal verkeerd beeld gaven van de financiële positie en het financiële reilen en zeilen van die gemeenten en provincies, dat deze totaal misleidende jaarrekeningen en begrotingen bovendien op veel belangrijke onderdelen volstrekt niet voldoen aan de betreffende wettelijke voorschriften, dat telkens bij deze jaarrekeningen desondanks - en dus geheel ten onrechte - goedkeurende accountantsverklaringen zijn opgenomen, dat met behulp van deze misleidende jaarrekeningen en begrotingen gemeenten en provincies worden bestuurd met alle risico’s van dien, dat het ministeriele toezicht op de provincies en het provinciale toezicht op de gemeenten in deze volkomen faalt, dat de Minister van Binnenlandse Zaken niet wenst te reageren op wat ik hem daarover al ruim 3 jaar heb laten weten, en dat het bestuur van NIVRA niet met mij over deze misstand wil praten, laat staan een einde wenst te maken aan de stroom van telkens maar weer ten onrechte verstrekte goedkeurende accountantsverklaringen.

Ik eindigde mijn brieven aan u van 18 oktober 2000 en 10 februari 2001 met:
"Intussen, gesteund door o.a. het uitblijven van acties uwerzijds, duurt deze misstand nog steeds voort. Het uitblijven van uw reactie wordt uitgelegd als een goedkeuring van de bestaande praktijk.
Het mag toch niet zo zijn dat de Tweede Kamer deze misstand onbesproken laat voortbestaan?
Moet ik inderdaad alleen blijven staan in het aan de kaak stellen van deze misstand?"
en
"Het gaat om de integriteit van het openbaar bestuur!
Het gaat er tevens om of je mensen die zich daarvoor inzetten, in de kou mag laten staan!"

Groot was mijn verbazing en vooral teleurstelling toen ik uw reactie ontving d.m.v. een kort briefje van de griffier van uw vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met als enige mededeling : "Uw .... brief is .... ontvangen en voor kennisgeving aangenomen."
Moet ik daaruit afleiden dat de kwestie u niet interesseert, of zelfs dat u het voortbestaan van de door mij beschreven misstand gewoonweg wilt laten voortbestaan, en dat de integriteit van het openbaar bestuur voor u alleen maar een onderwerp is om over te praten maar vooral niet om iets aan te doen, kortom dat u mij dus wel degelijk in de kou laat staan (wat voor mij niet gevaarloos is, gezien de krachten die zich inmiddels tegen mij keren)?

Het zal je volksvertegenwoordiging maar zijn!


Een bondige samenvatting van de situatie leest u in bijgaande bijdrage van mij in de Volkskrant van 25 oktober 1999 en Binnenlands Bestuur van 30 maart 2001.

Zoals ik u ook in mijn brief van 10 februari 2001 schreef, staat u voor verder onderzoek uiteraard mijn gehele dossier, dat inmiddels al enkele ordners vol beslaat, geheel ter beschikking. U zult schrikken van de inhoud en kwaliteit van de reacties van de door mij aangeschreven gemeenten en provincies, minister(s) en bestuur van het NIVRA.

Mag ik alsnog op u rekenen?

Graag verneem ik uw reactie.

Hoogachtend,


L.W. Verhoef