Dossier: Tweede Kamer
drs. L.W. Verhoef
registeraccountant
Kersengaard 13
3962 JR Wijk bij Duurstede

Wijk bij Duurstede,
10 februari 2001

Tweede kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA Den Haag

Betreft:
Jaarrekeningen en begrotingen van gemeenten en provincies

Geachte dames en heren,


Met mijn brief aan u van 18 oktober 2000 bracht ik u mijn kritiek onder de aandacht op de jaarrekeningen en begrotingen van (de meeste) gemeenten en provincies. Deze jaarrekeningen en begrotingen blijken bij nadere beschouwing hoogst onbetrouwbaar en dus hoogst misleidend. Met deze onbetrouwbare en misleidende jaarrekeningen en begrotingen worden belangstellende burgers op grove wijze misleid over de financiële positie en het financiële reilen en zeilen van "hun" gemeente respectievelijk provincie, besturen (in het algemeen financieel niet deskundige) (leden van) gemeenteraden en provinciale staten "hun" gemeente respectievelijk provincie, en worden bijvoorbeeld ministers, ministeries, 2e Kamer-leden, maar ook vele anderen volkomen foutief geïnformeerd over de financiën van gemeenten en provincies. Misleidende informatie kan gemakkelijk leiden tot andere beoordelingen en beslissingen over bijvoorbeeld belastingverhogingen en wel of niet doorgaan van (vaak belangrijke) activiteiten dan op grond van wèl betrouwbare informatie. Er zullen stellig zelfs verkeerde beslissingen genomen zijn.
Een sterke samenvatting van mijn kritiek met verwijzing naar door mij bij met naam genoemde  gemeenten en provincies aangetroffen feiten, kon u lezen in mijn bijdragen in de Volkskrant van 25 oktober 1999, welke bijdrage ik u met mijn brief meestuurde.

Naar ik begreep uit de reacties van de meeste van uw kamerfracties zijn er uit uw midden vragen hierover gesteld aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Ik begreep van enkele fracties dat de minister (ten minste) zou reageren met een brief aan mij, die inhoudelijk zou ingaan op mijn kritiek en op welke reactie ik zou mogen reageren naar uw Kamer. Een dergelijke brief van de minister heb ik tot op heden nooit ontvangen. (Zoals ik al vanaf mijn eerste brief aan de minister over deze kwestie d.d. 6 december 1997 en op de vele brieven daarna nooit een op de inhoud ingaand antwoord heb gekregen.) Wel ontving ik een kopie van een reactie van de minister aan uw vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 4 december 2000, mij eerst met brief van 29 januari 2001 toegestuurd door de griffier van deze commissie.
Hierna treft u mijn reactie aan op de reactie van de minister.

Met verbazing heb ik kennis genomen van de inhoud van de (u bekende) brief van de minister.
In de 2e alinea van de brief stelt de minister dat de kern van mijn kritiek zou betreffen:

1. het Besluit comptabiliteitsvoorschriften 1995;
2. de wijze waarop provincies en gemeenten met deze voorschriften omgaan;
3. de accountantscontrole op de jaarrekening;
4. het toezicht op provincies en gemeenten.

Door het zó te formuleren legt de minister mij woorden in de mond die stellig niet de mijne zijn!

Mijn kritiek betreft niet, althans stellig niet op de eerste plaats, het Besluit comptabiliteitsvoorschriften.
Mijn kritiek betreft op de allereerste plaats de volstrekte onbetrouwbaarheid van de jaarrekeningen en begrotingen van (de meeste) gemeenten en provincies. Dat heeft niets, maar dan ook helemaal niets te maken met toevallige wettelijke voorschriften als bijvoorbeeld de Comptabiliteitsvoorschriften, die niemand interesseren.Mijn kritiek betreft (pas) op de tweede plaats dat deze jaarrekeningen en begrotingen in de verste verte volstrekt niet voldoen aan de relevante wettelijke voorschriften, i.c. de Comptabiliteitsvoorschriften, met name de belangrijkste voorschriften daarvan.
Mijn kritiek betreft verder al die accountantsverklaringen bij die jaarrekeningen, jaarrekeningen die èn volstrekt onbetrouwbaar zijn èn in het geheel niet voldoen aan belangrijke wettelijke bepalingen, omdat die accountantsverklaringen in weerwil daarvan desondanks melden dat deze jaarrekeningen wèl betrouwbaar zijn èn melden dat deze jaarrekeningen wèl voldoen aan de wettelijke bepalingen.
Mijn kritiek betreft het falende toezicht van de minister op de financiën van de provincies respectievelijk van de provinciale besturen op de financiën van de gemeenten, omdat zij toezicht uitoefenen met behulp van volstrekt onbetrouwbare jaarrekeningen en begrotingen zonder dat in de gaten te hebben en zonder er wat aan te doen.

In zijn brief gaat de minister in het geheel niet in op mijn beschuldigingen over de volstrekte onbetrouwbaarheid van de jaarrekeningen en begrotingen, terwijl het mij juist dààr om gaat!

Naar mijn mening, en naar ik aanneem niet alleen naar mìjn mening, zijn jaarrekeningen en begrotingen onbetrouwbaar en dus misleidend als baten en lasten buiten de rekening blijven, er bedragen als baten en lasten gepresenteerd worden die in het geheel geen baten en lasten zijn, er rentelasten worden gepresenteerd over niet bestaande schulden, afschrijvingslasten ontbreken, verplichtingen ontbreken dan wel tot veel te hoge of te lage bedragen worden opgenomen, dan wel bedragen als verplichtingen worden gepresenteerd zonder dat deze verplichtingen in werkelijkheid bestaan, en bedragen als reserves worden gepresenteerd die in het geheel geen reserves zijn. (Voor voorbeelden verwijs ik u nogmaals naar mijn bijdrage in de Volkskrant van 25 oktober 1999.)

Comptabiliteitsvoorschriften
B
ehalve dat deze jaarrekeningen en begrotingen volstrekt onbetrouwbaar zijn, zijn zij bovendien (alleen al) vanwege deze onbetrouwbaarheid en het ontbreken van baten en lasten in de rekening faliekant in strijd met de belangrijkste relevante voorschriften uit de zogenoemde Comptabiliteitsvoorschriften.

Comptabiliteitsvoorschriften artikel 3 schrijft voor: "De jaarrekening geeft een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd over de financiële positie en over de baten en de lasten." De door mij bedoelde  jaarrekeningen geven vanwege hun volstrekte onbetrouwbaarheid beslist geen "zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd over de financiële positie en over de baten en de lasten"!
Comptabiliteitsvoorschriften artikel 33 schrijft voor: "De balans geeft getrouw en duidelijk de financiële positie weer." De door mij bedoelde balansen doen dat, vanwege de door mij hiervòòr aangegeven tekortkomingen, stellig niet!
Comptabiliteitsvoorschriften artikel 27 schrijft voor: "De rekening van baten en lasten geeft getrouw en duidelijk de omvang van alle baten en alle lasten, alsmede het saldo daarvan weer." Een rekening waaraan baten en lasten ontbreken, doet dat stellig niet! Het saldo van een rekening waaraan baten en lasten ontbreken, is stellig niet het saldo van àlle baten en lasten!
Ook missen heel veel van de door mij bedoelde jaarrekeningen belangrijke toelichtingen inzake de reserves, de voorzieningen en de rentelasten, terwijl de artikelen 49, 52 en 32 van de Comptabiliteitsvoorschriften deze toelichtingen uitdrukkelijk voorschrijven!

Wat de minister in zijn brief schrijft over tekortkomingen en mogelijke verbeteringen in de tekst van de Comptabiliteitsvoorschriften, heeft met mìjn hiervòòr weergegeven kritiek helemaal niets uitstaande. Het heeft ook helemaal niets te maken met de door de minister genoemde wetsaanpassingen van 1985 en 1995. Het heeft ook helemaal niets te maken met door de minister veronderstelde verschillen tussen provincies en gemeenten enerzijds en "het bedrijfsleven" anderzijds. Het heeft al helemaal niets te maken met een door de minister genoemde "openbare begroting waarbij uitgaven worden geautoriseerd, hetgeen implicaties heeft voor de verslaggeving". (De minister wil toch niet zeggen dat "een openbare begroting" dus vanwege dit "openbare" een volstrekt onbetrouwbare en misleidende begroting mag zijn? Wat een onzin!
Het heeft ook helemaal niets te maken met "het rechtmatigheidsoordeel" dat accountants expliciet in hun verklaring zouden moeten gaan opnemen. Alweer: wat een onzin!

Accountants
Al vanaf 18 juli 1997 probeer ik het bestuur van het NIVRA, de beroepsorganisatie van registeraccountants, ervan te overtuigen dat er iets goed mis is met de accountantsverklaringen bij de jaarrekeningen van (de meeste) gemeenten en provincies. Zonder succes.Met mijn brief van 18 april 2000 aan het bestuur van het NIVRA deed ik een herhaalde poging om over de kwestie te praten en wel aan de hand van de volgende door mij voorgelegde vragen:

1
. Mag een goedkeurende accountantsverklaring gegeven worden bij een onbetrouwbare jaarrekening?

2. Mag een goedkeurende accountantsverklaring gegeven worden bij een jaarrekening die niet voldoet aan de relevante wettelijke (inrichtings)voorschriften?

3.
Mag de lezer van een jaarrekening uit de daarbij gegeven goedkeurende accountantsverklaring terecht afleiden dat die jaarrekening een betrouwbaar beeld geeft van:
- de omvang van de baten en de lasten

-  
het saldo van de baten en de lasten
- de financiële positie?

4. Mag de lezer van een jaarrekening uit de daarbij gegeven goedkeurende accountantsverklaring terecht afleiden dat die jaarrekening hem alle informatie geeft waar hij volgens de relevante wettelijke voorschriften recht op heeft?

5.  Geeft een rekening (van baten en lasten) een betrouwbaar beeld van de baten en de lasten als er baten en lasten buiten de rekening om rechtstreeks worden toegevoegd c.q. onttrokken aan het eigen vermogen en dus niet in de rekening worden opgenomen?

6.
Geeft het saldo van de rekening een betrouwbaar beeld van het saldo van de (= alle) baten en de lasten als er baten en lasten buiten de rekening om rechtstreeks worden toegevoegd c.q. onttrokken aan het eigen vermogen?

7.
Worden de rentelasten betrouwbaar weergegeven als daaronder bedragen zijn opgenomen van "rentelasten" van fictieve, niet bestaande schulden?

8. Worden de rentelasten betrouwbaar weergegeven als daaraan bedragen ontbreken die pas nà het verslagjaar betaald worden?

9. Worden de afschrijvingslasten betrouwbaar weergegeven als daaraan bedragen ontbreken van vaste activa die direct bij de aanschaf in een keer volledig zijn afgeschreven?

10. Worden lasten die samenhangen met voorzieningen, betrouwbaar weergegeven, als de betreffende voorzieningen tot verkeerde bedragen in de beginbalans en/of eindbalans zijn opgenomen?

11. Geeft een rekening een betrouwbaar beeld van de baten en de lasten, c.q. geeft het saldo van de rekening een betrouwbaar beeld van het saldo van de baten en de lasten, als onder de baten en lasten toevoegingen respectievelijk onttrekkingen aan het eigen vermogen zijn opgenomen?

12. Geeft een balans een betrouwbaar beeld van de financiële positie als daarin verplichtingen als wachtgeldverplichtingen, pensioenverplichtingen, vakantiegeldverplichtingen ontbreken?

13. Geeft een balans een betrouwbaar beeld van de financiële positie als daarin transitorische, overlopende renteverplichtingen ontbreken?

14.
Geeft een balans een betrouwbaar beeld van de financiële positie als verplichtingen als reserve onder "Eigen vermogen" gepresenteerd worden?

15. Geeft een balans een betrouwbaar beeld van de financiële positie als onder de voorzieningen posten/bedragen gepresenteerd worden die in het geheel geen verplichtingen representeren?

16. Voldoet een jaarrekening van een gemeente c.q. provincie aan de zogenoemde Comptabiliteitsvoorschriften als daarin bovengenoemde verschijnselen zich voordoen, terwijl de Comptabiliteitsvoorschriften bepalen, dat
· voor de jaarrekening het "stelsel van baten en lasten" gehanteerd moet worden (artikel 4)
· de jaarrekening opgemaakt moet worden volgens "normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd" (artikel 3)
· de rekening "getrouw en duidelijk" de omvang van alle baten en alle lasten alsmede het saldo daarvan moet weergeven (artikel 27)
· de balans "getrouw en duidelijk" de financiële positie moet weergeven (artikel 33)?

17. Voldoet een jaarrekening van een gemeente c.q. provincie aan de zogenoemde Comptabiliteitsvoorschriften als deze Comptabiliteitsvoorschriften voorschrijven dat in de toelichting op de balans elke reserve afzonderlijk moet worden vermeld en toegelicht (artikel 49) en deze toelichting per reserve (gedeeltelijk of zelfs geheel) ontbreekt?

18.
Voldoet een jaarrekening van een gemeente c.q. provincie aan de zogenoemde Comptabiliteitsvoorschriften als deze Comptabiliteitsvoorschriften voorschrijven dat in de toelichting op de balans elke voorziening afzonderlijk moet worden vermeld en toegelicht (artikel 50) en deze toelichting per voorziening (gedeeltelijk of zelfs geheel) ontbreekt?

Het bestuur van het NIVRA weigert hierover met mij te praten.

In mijn brief van 2 januari 2001 aan het bestuur van het NIVRA schreef ik, dat het mij nog steeds gaat om "de situatie dat al jaren achtereen bij de (meeste) gemeentelijke en provinciale jaarrekeningen volstrekt ten onrechte goedkeurende accountantsverklaringen verstrekt worden. Dat laatste zou u als bestuur van het NIVRA een (grote) zorg moeten zijn. Uit wat ik  van u begrijp, is u dat geen enkele zorg; het interesseert u blijkbaar niet(s). Dat te moeten constateren van het bestuur van het NIVRA, is een kwalijke zaak."

In mijn brief van 14 oktober 2000 schreef ik het bestuur van het NIVRA:
"Ik begrijp dat de kwestie delicaat is en dat de belangen groot zijn; het betreft immers amateuristisch geklungel (om het alweer in hedendaags Nederlands te zeggen), of nog beter gezegd: het falen, van (accountants van) alle grote Nederlandse accountantskantoren. En wie zitten er in het bestuur van het NIVRA? Inderdaad: alweer de grote Nederlandse accountantskantoren! Dat echter mag toch voor een zichzelf respecterend bestuur van een Koninklijk NIVRA geen enkele aanleiding zijn de kwestie in de doofpot te stoppen?"

Tot slot
Met mijn brief van 22 november 2000 stuurde ik al uw fracties een kopie van mijn brief aan uw Kamer van 18 oktober 2000. Ik voegde daarbij het commentaar dat de Ombudsman van de Volkskrant in de Volkskrant van 7 november 1999 plaatste bij de gang van zaken. Ik stelde en vroeg u in mijn brief:
"Hij heeft naar mijn overtuiging helemaal gelijk. Waar bleef iedereen? Waarom liet iedereen mij in de steek?"

Ik herhaal ten slotte wat ik u schreef in mijn brief van 18 oktober 2000:
"Intussen, gesteund door o.a. het uitblijven van acties uwerzijds, duurt deze misstand nog steeds voort. Het uitblijven van uw reactie wordt uitgelegd als een goedkeuring van de bestaande praktijk.
Het mag toch niet zo zijn dat de Tweede Kamer deze misstand onbesproken laat voortbestaan?
Moet ik inderdaad alleen blijven staan in het aan de kaak stellen van deze misstand?"

Uiteraard staat u voor verder onderzoek mijn gehele dossier, dat inmiddels al enkele ordners vol beslaat, geheel ter beschikking. U zult schrikken van de inhoud en kwaliteit van de reacties van de door mij aangeschreven gemeenten en provincies, minister(s) en bestuur van het NIVRA.

Het gaat om de integriteit van het openbaar bestuur!
Het gaat er tevens om of je mensen die zich daarvoor inzetten, in de kou mag laten staan!

Gaarne verneem ik uw reactie.

Hoogachtend,

L.W. Verhoef