Dossier: Justitie
drs. L.W. Verhoef
registeraccountant
Kersengaard 13
3962 JR Wijk bij Duurstede

Wijk bij Duurstede, 30 januari 2004

De Minister van Justitie
De heer mr. J.P.H. Donner
Postbus 20301
2500 EH Den Haag

Betreft: Boekhoudfraudes bij gemeenten en provincies
             Mijn brieven d.d. 13 september 2002, 30 november 2002, 20 december 2002, 29 januari 2003,
             10 maart 2003, 18 maart 2003 en 9 april 2000
             Uw brieven d.d. 13 december 2002, 10 januari 2003, 13 februari 2003 en 11 april 2003
             (5221239/503/AJT)

Geachte heer Donner,

Met mijn bovengenoemde brieven schreef ik u over de boekhoudfraudes op grote schaal bij veel gemeenten en provincies en mijn activiteiten om deze boekhoudfraudes openbaar te maken en aan te pakken. Ik schreef u over mijn aangiftes bij Justitie (i.c. bij de politie) van deze boekhoudfraudes, althans over mijn pogingen daartoe. Ik eindigde mijn laatste brief aan u met: "Zoals het nu gaat, gaat het nog steeds niet goed. Dat wordt weliswaar voor iedereen weer smullen in de volgende parlementaire enquête, maar, en dat zult u met mij eens zijn, zoals het nu gaat, is het niet de bedoeling!", om welke reden ik uw hulp inriep. Of u naar aanleiding van mijn noodkreet actie heeft ondernomen, is mij niet bekend, in ieder geval heb ik er weinig tot niets van gemerkt.
Inmiddels heb ik in circa 20 gevallen aangifte gedaan en hebben deze aangiften inmiddels geleid tot processen-verbaal van aangiften. In uw brieven schreef u mij dat bestrijding van boekhoudfraude een taak is van het Financieel Expertise Centrum. Ik heb daar tot op heden niets van vernomen. Ik krijg sterk de indruk dat mijn aangiften zonder enige coördinatie in de zaak verspreid over het hele land onderin bureauladen verdwijnen van lokale politieagenten. De politie van Amersfoort heeft mij onlangs laten weten niets met mijn aangifte tegen het gemeenbestuur van Amersfoort te zullen doen, met als reden dat ze niets van mijn aangifte begrijpen. Niet voor niets zegt u dat de behandeling van boekhoudfraude een specialistische aangelegenheid is die moet worden ondergebracht bij de deskundigen van het FEC. Deze kennis is volstrekt niet aanwezig op lokale politiebureau's. U schreef mij in uw brief van 11 april 2003: "Boekhoudfraude, ook door de overheid zelf, wordt derhalve serieus genomen." Van dat "serieusnemen" heb ik tot op heden niets ondervonden. Ik vrees dat zonder uw ingrijpen ook de andere aangiften eenzelfde dood zullen sterven.
U schreef mij met uw brieven van 13 februari 2003 en 11 april 2003 dat u de kwestie van de boekhoudfraudes (bovendien door de overheid zelf!) ernstig vond en dat u de kwestie zou voorleggen aan het College van procureurs-generaal te Den Haag en dat ik daarvan een reactie mocht verwachten. Inmiddels heb ik van dat college bericht gekregen dat hij door u op de zaak is geattendeerd en dat zij mijn aan u gerichte brieven van u hadden ontvangen. Het college deelde mij ook mee dat mijn brieven waren overgedragen aan de hoofdofficier van Justitie te Utrecht en dat deze de behandeling van alle aangiften zou gaan coördineren. Dat laatste bevreemdde mij zeer, want voorzover mij bekend is deze officier geen lid van het Financieel Expertise Centrum en zal dus ook de kennis ontberen om de zaak goed te kunnen beoordelen.. De genoemde hoofdofficier heeft mij laten weten dat zij mijn brieven aan u van het College van procureurs-generaal had ontvangen. Over een (centrale) behandeling van mijn aangiften zegt zij niets. Integendeel, zij liet mij met brief van 18 november 2003 weten: "Overigens wil ik hierbij benadrukken dat ik niet de algehele coördinatie van uw aangiften op mij heb genomen." U schreef mij in uw brief van 11 april 2003: "Boekhoudfraude, ook door de overheid zelf, wordt derhalve serieus genomen." Ik vrees dat zonder uw ingrijpen er weinig gebeurt met mijn aangiften en aan de bestrijding van boekhoudfraude bij de overheid.
In uw brief van 11 april 2003 schreef u mij: "Overigens wil ik u er hierbij nog wel op wijzen dat ik niet eerder aan u geschreven heb dat boekhoudfraude mij "ernstig voorkwam waarvoor zelfs de huidige strafmaat te gering is"." Ik verwijs u echter naar uw brief aan mij van 13 december 2002 waarin u verwijst naar uw eigen antwoord en dat van uw collega's de ministers van Financiën en van Economische Zaken op vragen van Tweede Kamer-lid de heer Koenders waarin u verzwaring van de straffen op boekhoudfraude in het vooruitzicht stelt.
Kortom, zoals het nu gaat, gaat het nog steeds niet goed. Dat wordt weliswaar voor iedereen weer smullen in de volgende parlementaire enquête, maar, en dat zult u met mij eens zijn, zoals het nu gaat, is het niet de bedoeling.

Mag ik van u vernemen?

Met vriendelijke groet en hoogachting,

L.W. Verhoef