Dossier: Justitie
drs. L.W. Verhoef
registeraccountant
Kersengaard 13
3962 JR Wijk bij Duurstede

Wijk bij Duurstede,
29 januari 2003

De Minister van Justitie
De heer mr. J.P.H. Donner
Postbus 20301
2500 EH Den Haag

Betreft: Boekhoudfraudes bij gemeenten en provincies
            Mijn brieven d.d. 13 september 2002, 30 november 2002 en 20 december 2002
            Uw brieven d.d. 13 december 2002 en 10 januari 2003 (5204895/503/AJT)

Geachte heer Donner,

Met mijn bovengenoemde brieven bracht ik u op de hoogte van de misstand van de op grote schaal voorkomende boekhoudfraude bij gemeenten en provincies. Op mijn vragen aan u hoe ons Wetboek van Strafrecht erop is ingericht boekhoudfraude strafrechtelijk aan te pakken, liet u mij met uw brief van 13 december 2002 uitvoerig weten welke artikelen uit het Wetboek van Strafrecht hierop betrekking hebben. U verwees hierbij ook zeer adequaat naar uw beantwoording van door het Tweede Kamer-lid de heer Koenders in de Kamer hierover gestelde vragen. Met mijn brief van 20 december 2002 liet ik u weten u voor uw antwoord zeer erkentelijk te zijn. Mede aan de hand van uw reactie deed ik vervolgens op 20 december 2002 bij de politie in mijn woonplaats Wijk bij Duurstede aangifte van boekhoudfraude door mijn eigen gemeentebestuur(ders).
Met mijn brief van 20 december 2002 vroeg ik u ook of u die maatregelen kon treffen die ertoe leiden dat de aangifte snel en doeltreffend door terzake kundigen zou worden aangepakt. U liet mij echter met uw brief weten van 10 januari jl. weten dat u als minister "daar niet over gaat", maar dat het nu geheel aan de beoordeling van het Openbaar Ministerie is of de zaak wel of niet en zo ja, op welke manier, zal worden aangepakt. Een, naar u zult begrijpen, voor mij teleurstellende reactie. In uw beantwoording van de genoemde kamervragen van de heer Koenders laat u wel weten dat u boekhoudfraude een ernstige zaak vindt waarvoor zelfs de bestaande strafmaat verhoogd zou moeten worden, maar vervolgens zegt u dus ook geen middelen te hebben om, waar van boekhoudfraude gebleken is, deze strafrechtelijk aan te laten pakken.
De aangifte heb ik gedaan op 20 december 2002. Inmiddels is het 29 januari 2003 en ik heb nog helemaal niets vernomen van het Openbaar Ministerie. In mijn brief aan u van 20 december jl. sprak ik al mijn vrees uit dat aan en met de aangifte niets gedaan zou worden, ik ben nu bang dat mijn vrees terecht was.
Al in Vrij Nederland van 2 maart 2002 werd uitvoerig gewezen op de misstand van de omvangrijke boekhoudfraude door de 30 grote gemeenten. Deze hadden, volgens het door Vrij Nederland uitgevoerde onderzoek, gezamenlijk ruim ƒ 3,8 miljard voor hun burgers verzwegen. Vrij Nederland sprak van een "Enron-affaire". Opvallend was en is dat het Openbaar Ministerie op geen enkele wijze "thuis gaf".
Intussen heb ik wel mijn nek uitgestoken door het doen van aangifte. Betekent dat nu, nu het Openbaar Ministerie niets doet, dat mijn nek er dus (alweer) straffeloos afgehakt mag worden?
Mijnheer Donner, ik ben ervan overtuigd dat het stellig in de goede richting zal helpen, als de minister van Justitie het Openbaar Ministerie eraan herinnert dat er nog ergens een aangifte van boekhoudfraude ligt waaraan tot op heden nog geen aandacht besteed is, terwijl de minister vindt dat boekhoudfraude een ernstige zaak is.

Ik verneem van u?

Met vriendelijke groet en hoogachting,

L.W. Verhoef