Dossier: Justitie
drs. L.W. Verhoef
registeraccountant
Kersengaard 13
3962 JR Wijk bij Duurstede

Wijk bij Duurstede, 20 december 2002

De Minister van Justitie
De heer mr. J.P.H. Donner
Postbus 20301
2500 EH Den Haag

Betreft: Boekhoudfraudes bij gemeenten en provincies en strafrecht
            Mijn brieven d.d. 13 september 2002 en 30 november 2002
            Uw brief d.d. 13 december 2002 (5201401/502/AJT)

Geachte heer Donner,

Met uw bovengenoemde brief van 13 december 2002 reageerde u op mijn eerdere brieven van 13 september 2002 en van 30 november 2002. Ik ben u erkentelijk voor uw heldere antwoord. In mijn brieven liet ik u weten dat ik aangifte bij Justitie wilde doen van boekhoudfraude door "mijn" gemeente Wijk bij Duurstede en hoe dat in eerste instantie niet mogelijk leek. Uit uw brief met bijlage bleek hoe dat wèl mogelijk is.
Omdat boekhoudfraude door gemeenten naar mijn mening een ernstige zaak is, het gaat per slot van rekening om gemeenschapsgeld en de verantwoording daarover naar de burgers, heb ik "met uw brief in de hand" aangifte gedaan bij de politie in mijn woonplaats Wijk bij Duurstede van "boekhoudfraude" door "mijn" gemeentebestuur(ders). Ik heb daarbij verwezen naar de door u in uw brief genoemde bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht en een kopie van uw brief achtergelaten.
In uw brief verwijst u naar de vragen over dit onderwerp die door PvdA-Tweede Kamerlid de heer Koenders zijn gesteld en uw reactie daarop. In dat antwoord meldt u dat in dit soort zaken: "De overheid moet heldere regels stellen en toezicht houden op de naleving". Ik ben dat geheel met u eens. Des temeer bevreemdt het mij dat waar het in dit geval gaat om gemeenten en derhalve de goede naleving van de Gemeentewet en het daarop gebaseerde Besluit Comptabiliteitsvoorschriften, uw ambtgenoot van Binnenlandse Zaken en zijn ambtsvoorgangers nu al jarenlang heel krampachtig mijn alarmerende brieven niet wensen te behandelen en niet op de kwestie willen ingaan. Wellicht dat u uw ambtgenoot, de heer Remkes, nog eens het belang van de zaak onder de aandacht kunt brengen.
Eveneens met een verwijzing naar uw (terechte) stelling dat de overheid toezicht moet houden op de goede naleving van de betreffende wetten, roep ik uw hulp in. Nu ik aangifte heb gedaan, ben ik er niet gerust op dat mijn aangifte adequaat zal worden opgepakt en behandeld. Dat wordt mede ingegeven door de mededeling van de dienstdoende politieagent dat de behandeling van  mijn aangifte een zeer lage prioriteit zal krijgen. Het wordt mij ook ingegeven door wat ik uit de parlementaire enquête naar de "bouwfraude" heb begrepen over hoe moeizaam het ging toen klokkenluider Ad Bos zich meldde bij Justitie met zijn verhaal en hoe lang het duurde voordat eindelijk het justitieel apparaat in beweging kwam. Het wordt mij ook ingegeven door de omstandigheid dat de behandeling van (dit soort) boekhoudfraudes specialistenwerk is. Het wordt mij ook ingegeven door de grote belangen waartegen ik het telkens maar weer moet opnemen en hoe die er telkens in slagen de aandacht voor deze misstand af te leiden.
Ik roep derhalve dringend uw hulp in om als minister die maatregelen te treffen die ertoe leiden dat de kwestie snel en doeltreffend door terzake kundigen wordt opgepakt. En vraagt u degenen die zich met de aangifte zullen bezighouden om zich vooral met mij te verstaan, want het is echt "specialistenwerk" waar maar weinigen kaas van hebben gegeten. En waar het gaat om deskundigheid terzake van gemeentelijke jaarrekeningen en wat daarin allemaal fout gaat en waarom alles en iedereen terzake "in de fout" gaat, ben ik één van de weinigen die daar heel veel over weet.

Heel graag zie ik uw reactie tegemoet.

U nogmaals dankend voor uw zeer adequate beantwoording van mijn eerdere brieven,
met vriendelijke groet en hoogachting,

L.W. Verhoef