Dossier: BiZa
drs. L.W. Verhoef
registeraccountant
Kersengaard 13
3962 JR Wijk bij Duurstede

Wijk bij Duurstede,  18 september 1999

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
De heer B. Peper
Postbus 20011
2500 EA  's-GRAVENHAGE

Betreft: Begrotingen en jaarrekeningen van Provincies en Gemeenten

Geachte heer Peper,

Zoals ik u al schreef in mijn brief van 7.9.1999, heeft het ruim 1½ jaar moeten duren en  moest ik u  6 x herinneren aan wat mij was toegezegd voordat ik het rapport "Financiële positie van de gemeenten verkend" van u ontving. Nu ik het echter ontvangen heb, heb ik het belangstelling gelezen.

Naar mijn mening is het in opzet een goed rapport, zij het dat het de - voor mij niet onverwachte - conclusie opleverde dat we met elkaar nog niet weten hoe het er met de financiële positie van de gemeenten voorstaat. Naar wat ik er zelf van gezien heb (en ik heb intussen al heel wat begrotingen en jaarrekeningen van gemeenten bekeken) is het beeld heel sterk uiteenlopend. Er zijn (zeer) rijke en er zijn (zeer) arme gemeenten, er zijn gemeenten die ruim leven, er zijn er die het krapjes aan doen. Dat heeft n.m.m. meer te maken met de betreffende gemeente en/of het betreffende gemeentebestuur (in verleden of heden) dan met een algehele zelfde tegenwind of wind-mee vanuit bijvoorbeeld de centrale overheid. Een gemiddelde is uiteraard wel te bepalen, maar heeft n.m.m. door de grote spreiding weinig betekenis.

Mijn interesseerde vooral, u zult dat begrijpen, hoofdstuk 6 "Gemeentelijk investerings- en financieringsbeleid", hoofdstuk 7 "Reserves/Voorzieningen" en de passages betreffende de financiën in de andere hoofdstukken. Het meest interesseerde mij hoofdstuk "Reserves/Voorzieningen".

In hoofdstuk 8 onder 8.1 stelt het rapport dat de werkgroep (bij het onderzoek en het samenstellen van het rapport) voor een belangrijk deel is uitgegaan van "realisatiecijfers". Het rapport zegt hiervan: "Kenmerk voor realisatiecijfers is dat over de juistheid daarvan weinig discussie bestaat." Helaas is de opmerking waar, maar dat wil nog niet zeggen dat er helemaal gèèn discussie over de juistheid van de cijfers in de jaarrekeningen en begrotingen van gemeenten (en provincies) bestaat. Zoals u weet, voer ikzelf deze discussie al geruime tijd. Op grond van mijn waarnemingen moet ik helaas constateren dat van de begrotingen en jaarrekeningen van (de meeste) gemeenten (en provincies) niet zo bijster veel klopt. Ze geven heel veel cijfers en tekst, maar behalve een heleboel onzin waar geen mens wat van begrijpt, stellig gèèn betrouwbaar beeld van de omvang van de baten en de lasten en het saldo daarvan en van de financiële positie, ondanks al die goedkeurende accountantsverklaringen die er bij staan. Integendeel, het beeld dat ze daarvan geven, klopt in geen velden of wegen. (U zou de correspondentie die ik in het afgelopen jaar met zo'n 25 provincies en gemeenten over hun jaarrekeningen 1997 en 1998 voerde, eens moeten bekijken: allerbedroevendst!) Dat betekent dat alle conclusies in het rapport die gebaseerd zijn op (een optelling van) deze cijfers dus hoogst dubieus zijn!

In mijn brief van 2.1.1998 waarschuwde ik u al voor de gevolgen van het inschakelen van de verkeerde personen bij dit onderzoek. Ik vroeg u toen al: toch niet de ambtenaren en accountants die zogenaamd deskundig zouden moeten zijn omdat ze al jarenlang ervaring hebben met het opmaken en controleren van gemeentelijke en provinciale begrotingen en jaarrekeningen? Zij gaan u toch niet vertellen dat ze dat al jaren achtereen volstrekt verkeerd gedaan hebben en volstrekt ten onrechte goedkeurende accountantsverklaringen afgegeven hebben?
Helaas heeft u met mijn waarschuwing niets gedaan. Het resultaat is er dan ook naar. Het is heel goed zichtbaar in hoofdstuk 7 "Reserves/Voorzieningen" waar reserves en voorzieningen op één hoop gegooid worden, en waar geworsteld wordt met toevoegingen c.q. onttrekkingen aan reserves die lasten c.q. baten zouden zijn, met reserves die bij het bepalen van het zogenoemde "weerstandsvermogen" wel of niet geëlimineerd zouden moeten worden, met "ruimte in voorzieningen" (hoezo goedkeurende accountantsverklaringen?), met reserves die wel of niet vrij besteedbaar zouden zijn, met "voorzieningen" waaraan een bestemming zou zijn gegeven, en met "rentebijschrijving aan reserves". Op andere plaatsen in het rapport wordt gestunteld met "kapitaaldienst" en "gewonde dienst", termen (met een inhoud) die thuishoren in de kameraalstijl, terwijl gemeenten al sinds 1985 hun begrotingen en jaarrekeningen volgens het baten-lasten-stelsel opmaken, met een onderscheid tussen zogenoemde sectoren Overheid en Bedrijven, wat gewoonweg nergens op slaat en volstrekt irrelevant is (en welk onderscheid en aanduidingen daarom eindelijk in 1994 respectievelijk 1995 uit de Gemeentewet en uit de Comptabiliteitsvoorschriften zijn geschrapt), en "dekking gewone dienst" en "besparingen op gewone dienst".
Erg en ergerlijk!

Kortom, alweer een onderzoek en een rapport waar je dus niets aan hebt.
Mijn mening over het onderzoek in het vervolg van dit rapport naar "weerstandsvermogen" deed ik u al toekomen met mijn brief van 18.8.1999.

Uw reactie te mogen vernemen stel ik zeer op prijs.

Met vriendelijke groet en hoogachting,

L.W. Verhoef