Leo Verhoef
Boekhoudfraude gemeenten en provincies
Een sprookje:

De nieuwe kleren van de keizer
Home

Wie is Leo Verhoef

Uw gemeente en provincie

Dossiers


Persberichten

In de media

Publicaties

Verwijzingen


CURSUS


Contact
een verhaal van Hans Christiaan Andersen

Vele jaren geleden leefde er een keizer die veel van nieuwe dure kleren hield. Op een dag kwamen er twee wevers bij de keizer, die zeiden dat ze de mooiste stoffen konden weven die je je maar denken kon. Niet alleen de kleuren en het patroon waren ongelooflijk mooi, maar ook hadden de kleren die ervan gemaakt waren, de eigenschap dat ze onzichtbaar waren voor iedereen die niet voor zijn ambt deugde of die onvergeeflijk dom was; alleen de echte kenner zou zien hoe geweldig mooi ze waren. "Wat een fijne kleren", dacht de keizer. "Als ik die aan heb, kan ik erachter komen wie er in mijn rijk niet deugt voor zijn ambt en dan kan ik de knappen van de dommen onderscheiden. Die stof moet ik meteen laten weven!" En hij gaf de twee wevers een flinke som geld, zodat ze met hun werk konden beginnen. Ze zetten twee weefgetouwen op en deden alsof ze hard werkten en dat nog wel tot diep in de nacht.
"Nu zou ik eigenlijk toch wel eens willen weten hoever ze zijn met de stof", dacht de keizer, maar het werd hem wel een beetje vreemd te moede als hij eraan dacht dat wie dom was of niet voor zijn ambt deugde, de stof helemaal niet kon zien. Hij wist natuurlijk wel dat hij voor zichzelf niets te vrezen had, maar hij wilde toch liever eerst iemand anders sturen om te zien hoe het ermee stond. "Ik stuur mijn oude eerlijke minister naar de wevers", dacht de keizer, "die kan het best zien hoe de stof wordt, want hij heeft verstand en niemand doet zijn werk beter dan hij!"
Toen trad de oude minister de zaal binnen waar de twee wevers aan lege weefgetouwen zaten te werken. De minister sperde zijn ogen wijd open. "Ik zie niets!" Maar dat zei hij niet. De wevers vroegen hem of het geen geweldig mooi patroon was en of het geen prachtige kleuren waren. De minister sperde zijn ogen steeds verder open, maar hij zag niets, want er was niets. "Lieve hemel!", dacht hij, "zou ik dom zijn? Dat mag natuurlijk geen mens weten!" "O, het is prachtig! Gewoonweg schitterend!" zei de minister. "Ja, ik zal de keizer zeggen hoe geweldig mooi ik het vind!" De twee wevers noemden de kleuren en beschreven het bijzondere patroon. De minister lette goed op, zodat hij dat kon navertellen als hij bij de keizer kwam, en dat deed hij.

Nu verlangden de twee wevers nog meer geld, zijde en goud; dat hadden ze nodig voor het weven. Ze gingen nog steeds door met weven aan de lege weefgetouwen.
De keizer stuurde weldra weer een raadsheer om te zien hoe het met het weven ging en of de stof gauw klaar was. Het verging hem net als de minister, hij keek en keek, maar omdat er niets anders was dan lege weefgetouwen, zag hij niets. "En, is het geen prachtig stuk stof?" vroegen de bedriegers. "Dom ben ik niet", dacht de raadsheer. "Zou ik dan niet deugen voor mijn goede ambt? Dat is toch te gek! Maar dat moet je niet laten merken!" En toen prees hij de stof die hij niet zag. "Het is gewoonweg schitterend!" zei hij tegen de keizer. Alle mensen in de stad spraken over de prachtige stof.
Toen wilde de keizer zelf ook gaan kijken. Met een hele schare uitgelezen mannen, waaronder de twee brave raadslieden die er al eerder waren geweest, ging hij naar de wevers. "En, is het niet magnifiek?" vroegen de twee raadslieden. "Moet Uwe Majesteit eens zien, wat een patroon, wat een kleuren!" "Wat krijgen we nou?" dacht de keizer, "Ik zie niets! Maar dat is verschrikkelijk! Ben ik dom? Deug ik niet voor het keizerschap?" "O, het is heel mooi!" zei de keizer. "Het heeft mijn allerhoogste instemming!" En hij knikte heel tevreden.
Het hele gevolg dat hij bij zich had, keek en keek, maar zag al niets meer dan alle anderen. Toch zeiden ze net als de keizer: "O, het is heel mooi!", en ze raadden hem aan van deze nieuwe prachtige stof kleren te laten maken voor de grote optocht die binnenkort zou komen. "Het is magnifiek, schitterend, excellent!" klonk het van mond tot mond en allemaal waren ze er zielstevreden over. De keizer gaf ieder van de bedriegers een ridderorde voor in hun knoopsgat en de titel van weefjonker.
De hele nacht vr de ochtend waarop de optocht zou plaatsvinden, bleven de bedriegers op. Ze hadden wel zestien kaarsen aan. De mensen konden zien dat ze het heel druk hadden om de nieuwe kleren van de keizer af te krijgen. Ze deden alsof ze de stof van de weefgetouwen haalden, ze knipten met grote scharen in de lucht, ze naaiden met naalden zonder draad, en zeiden ten slotte: "Kijk, nu zijn de kleren klaar." De keizer kwam naar ze toe met zijn voornaamste hovelingen. De twee wevers hielden een arm omhoog en zeiden: "Kijk, hier is de broek. Hier is de jas. Hier de mantel! Het is licht als spinrag! Je zou denken dat je niets aan had, maar dat is juist het bijzondere ervan!" "Ja!" zeiden alle hovelingen. Maar ze zagen niets, want er was niets. 
"Als Uwe Keizerlijke Majesteit nu uw kleren uitdoet", zeiden de twee wevers, "dan zullen we u de nieuwe aantrekken, hier voor deze grote spiegel!" De keizer deed al zijn kleren uit en de wevers deden alsof ze hem steeds een van de nieuwe kledingstukken gaven. "Lieve hemel, wat staat dat mooi! Wat zit dat goed! Wat een patroon! Wat een kleuren! Dat is een kostbaar kostuum" zei de opperceremoniemeester. De keizer draaide voor de spiegel alsof hij zijn pracht nog eens goed bekeek. De kamerheren die de sleep moesten dragen, tastten met hun handen over de vloer, alsof ze de sleep opnamen, ze liepen iets in de hoogte te houden, ze durfden niet te laten merken dat ze niets in hun handen hadden. En zo liep de keizer de straat op en alle mensen op straat en voor de ramen zeiden: "Ach, wat zijn de nieuwe kleren van de keizer weergaloos, wat een prachtige sleep heeft hij aan zijn mantel! Het zit als gegoten!" Niemand wilde laten merken dat hij niets zag, want dan deugde hij immers niet voor zijn ambt of was hij heel dom. Nog nooit hadden de kleren van de keizer zo'n succes gehad.
Langs de straat stond een klein kind te kijken. "Die man loopt in z'n blootje. Hij heeft niets aan," zei het kleine kind. Zijn vader kreeg eerst de neiging zijn kind een oorvijg te verkopen, maar kwam snel bij zinnen. "De waarheid moet je uit een kindermond horen", zei zijn vader. En de een fluisterde tegen de ander wat het kind zei. "Maar hij heeft helemaal niets aan", riep ten slotte het hele volk. De keizer kromp ineen maar dacht: "Ik moet dit tot het eind volhouden" en de kamerheren bleven de sleep dragen die er niet was.

..........
Terug > begin